
Die kaart bracht verschillende soorten kennis samen. Susan Leigh Star noemt zoiets een boundary object: een gedeeld object waar mensen vanuit verschillende ervaringen en expertises naar kunnen kijken, zonder dat ze eerst tot één interpretatie moeten komen. Uit die gezamenlijke zoektocht ontstond naar aanleiding van het Heroes-project, een concrete ontwerpkeuze: in ons grote, moeilijk te verwarmen gebouw bouwden we twee kleinere ruimtes in die we gericht konden verwarmen waardoor we onze vaste gewoonte om de winter terug te trekken niet moesten opdringen aan de helden. Omdat zij niet mee in het proces dat tot deze beslissing uitgroeide, betrokken waren en we vermoedden dat dat moeilijker aanvaardbaar zou zijn.
Toen 44 Heroes of our Time startte, waren die verwarmde ruimtes gewoon onderdeel van het gebouw. De nieuwe gebruikers hadden de temperatuurmetingen niet meegemaakt, hadden niet rond de kaart gestaan en kenden de afwegingen achter het ontwerp nauwelijks.
Ze ontmoetten het resultaat van een zoektocht waarvan de geschiedenis onzichtbaar was geworden.
Dat is achteraf een belangrijk inzicht. Een ontwerp kan veel kennis bevatten, terwijl die kennis zelf niet langer leesbaar is. Een muur vertelt niet waarom hij daar staat. Een thermostaat toont niet welke discussie eraan voorafging rond warmtepompen en palletkachels. Na verloop van tijd lijkt een ontwerp eenvoudigweg de gegeven werkelijkheid. Precies zo herbergt het gebouw van Timelab dat slechts recent in de geschiedenis van de organisatie een plek kreeg, de hele voorgeschiedenis, maar is deze niet meer zichtbaar. Een voorname reden waarom we bij het einde van ons nomadisch bestaan extra veel aandacht zijn gaan leggen op het creëren van een geheugen.
Daar kwam nog iets bij. De Heroes betaalden voor hun deelname.
Voor ons was die bijdrage deel van een project waarin we infrastructuur deelden en samen wilden onderzoeken wat gedeeld gebruik kon betekenen en wat het is om een host te zijn of een gast te zijn. Voor sommige deelnemers leek betaling ook een heel vertrouwde verwachting te activeren: ik betaal voor toegang tot een werkruimte, dus een werkruimte hoort aan bepaalde voorwaarden te voldoen.
Kamertemperatuur kan daar vanzelfsprekend één van zijn.
Vanaf dat moment wordt koude al snel als een tekortkoming met een vrij evidente oplossing: meer verwarmen, op te lossen door de eigenaar van het pand die de service voorziet.
De situatie bevatte nochtans veel meer vragen. Welke delen van een groot gebouw willen we verwarmen? Voor welke activiteiten? Welke comfortnorm hanteren we? Wat betekent dat energetisch? Hoe verhouden gebruik, ecologie en zorg voor infrastructuur zich tot elkaar?
Dit is wat wel eens een ill-structured problem wordt genoemd: een vraagstuk waarvan we pas tijdens het onderzoeken ontdekken wat er precies meespeelt. Wanneer de oplossing al vastligt voordat het onderzoek begint. Zo verdwijnt een deel van die complexiteit uit beeld.
Die winter was de ervaring intussen zeer concreet: sommige mensen hadden het koud. Daarom stelden we tijdelijk de goed verwarmde ruimte open die oorspronkelijk geen deel uitmaakte van de community-ruimtes maar wel dienst deed als aanbod in onze verhuring en dankzij de extra verwarming ook tijdens de wintermaanden langer kan verhuurd worden.
Mensen namen hun laptop mee, zelfs koptelefoons. Steeds dezelfde mensen kwamen terug. Ze werkten er samen en ontwikkelden routines.
Langzaam veranderde de betekenis van de kamer.
Toegang werd gebruik. Gebruik werd routine. Routine werd belonging.
Na verloop van tijd merkten we ook iets anders. Een klein groepje gebruikte de ruimte steeds vanzelfsprekender en andere deelnemers vertelden ons dat zij zich er minder welkom voelden.
Dat is een fascinerend gegeven in gedeelde ruimte. Toe-eigening helpt mensen zich ergens thuis te voelen. Diezelfde toe-eigening kan gaandeweg een nieuwe grens vormen voor anderen. Daar is geen bordje “privé” voor nodig. Een vaste groep rond een tafel, spullen die blijven liggen of de vertrouwdheid waarmee mensen zich door een ruimte bewegen kunnen voldoende zijn.
Toen de koude periode voorbij was, beëindigden we het tijdelijke gebruik en kreeg de ruimte opnieuw haar eerdere functie.
Voor ons sloot dat aan bij de afspraak waarmee ze was opengesteld. Voor enkele deelnemers had de beslissing intussen een heel andere betekenis. Zij ervoeren ze alsof wij hun groep wilden breken.
Dat was nooit de bedoeling. Tegelijk veranderde de beslissing daadwerkelijk een sociale configuratie die ondertussen ontstaan was. En er was intussen ook de ervaring van anderen, voor wie de ruimte juist minder gedeeld was gaan voelen.
Daar in zit een belangrijke commoningvraag:
Wanneer ondersteunt toe-eigening belonging, en wanneer begint het gevoel van thuis van de ene groep de mogelijkheden van anderen te verkleinen?
Precies hier helpt Susan Leigh Star in de manier waarop zij toch wel baanbrekend onderzoek heeft verricht.
In haar onderzoek naar infrastructuur keek ze graag naar ogenschijnlijk saaie dingen: standaarden, formulieren, aansluitingen, onderhoud, routines. Infrastructuur blijft meestal onzichtbaar zolang alles functioneert. Wanneer iets hapert, wordt plots zichtbaar hoeveel afspraken, verwachtingen en werk erin verscholen zitten.
Onze koude gebouwen was zo'n kleine breakdown.
Ze maakte zichtbaar wat verschillende mensen onder een werkplek verstaan. Wat betalen voor toegang betekent. Welke eerdere ecologische en ruimtelijke keuzes in een gebouw zijn opgeslagen. Hoe tijdelijke toegang een gewoonte wordt. Hoe gewoontes belonging produceren. En hoe één ruimtelijke oplossing vervolgens weer nieuwe sociale effecten heeft.
Zelfs de thermostaat bleek interessant.
We vroegen gebruikers om na gebruik de ruimte terug te zetten volgens de aangegeven opstelling en de verwarming uit te schakelen. Een reactie was dat we misschien beter een automatische timer konden installeren.
Technisch is dat een prima voorstel. Tegelijk verplaatst zo'n timer verantwoordelijkheid. Onze afspraak veronderstelde dat iemand die een gedeelde ruimte gebruikt ook een klein stukje zorg voor de volgende gebruiker opneemt. Een timer brengt die zorg onder in de techniek.
Een detail wordt zo een vraag: waar organiseren we zorg? Bij gebruikers, bij de host, in technologie, of verdeeld tussen die iedereen die betrokken is?
Dat is misschien de belangrijkste les die ik uit deze ervaring haal.
Een koude ruimte, een thermostaat die blijft aanstaan, een groepje dat steeds dezelfde tafel kiest of een tijdelijke afspraak die langzaam als vanzelfsprekend wordt ervaren: het lijken kleine gebeurtenissen.
Voor Star zijn precies zulke momenten waardevolle aspecten voor verder onderzoek. Ze tonen hoe een gedeelde praktijk werkelijk gebeurt.
We zouden ze daarom systematischer kunnen verzamelen. Wat gebeurde er precies? Welke verwachting had elke betrokkene? Welke eerdere keuze zat achter de situatie? Welke zorg bleef onzichtbaar? Wat veranderde door de tijdelijke oplossing? Welke nieuwe gewoonte ontstond?
Eén geval blijft een anekdote. Wanneer vergelijkbare situaties zich herhalen, verschijnen patronen.
Uit die patronen kan een vorm van commoning literacy groeien: het vermogen om te lezen hoe een gedeelde situatie tot stand kwam, welke geschiedenis erin opgeslagen zit, hoe gebruik haar betekenis verandert en wanneer een bestaande afspraak opnieuw aandacht vraagt.
Misschien begint onderzoek naar commoning daarom soms op een verrassend bescheiden plek.
Bij een koud gebouw.
En bij de vraag:
Wat gebeurt hier eigenlijk?