Foto: Joe Hulbert

On the playground of the New Economy
between the yourts, the bell tents and trees
gather people with a quest for answers
and revised visions of democracy

 

 

 

 

 

 

Day One: “What happens in Frome, stays in Frome” 

Het is maandagochtend en zes semi-onbekenden – met een gedeelde interesse voor het fenomeen van de commons – verzamelen aan stadslabo en broedplaats Timelab in Gent. Twee uur rijden en een bijna gemiste ferryrit van een uur en drie kwartier later, komen we aan in de haven van Dover. Met veel moed begint ons minibusje, een grijze Opel, uiteindelijk aan de lange tocht naar het pittoreske Frome. In dit kleine Engelse dorp vindt namelijk van 16 tot 18 juli de eerste editie van Stir to Action-festival plaats: een driedaags festival dat zich profileert als A Playground for the New Economy, met niet alleen panels, interactieve workshops, participatief theater en idea surgeries, maar ook een sauna, livemuziek, openlucht filmvertoningen en craft beer. Het festival wordt georganiseerd door de drijvende krachten achter het gelijknamige STIR: een vierjaarlijks magazine dat, naar eigen zeggen, nieuwe economische alternatieven promoot en onderzoekt hoe economie, maatschappij en commons succesvol kunnen samenvloeien.  

’s Avonds in Frome aangekomen, pikken we eerst een zevende bendelid op aan het station en verkennen we vervolgens de stad. De eerste persoon die we tegenkomen – in een lange keten van interessante ontmoetingen –, is een vriendelijke Tsjechisch-Engelse local die ons uitleg geeft over het community bord system van Frome. Verspreid in de stad en omstreken staan namelijk verschillende borden waarop de inwoners elkaar en bezoekers op de hoogte houden van plaatselijke evenementen. Frome is overigens de eerste stad in Engeland waar een burgerlijst (Independents for Frome) alle bestuurszetels heeft bemachtigd. Het zaadje dat zorgde voor de omwenteling van een two-party system naar een systeem waarin de burgers aan zet zijn, werd in 2011 door Peter MacFadyen geplant. Peter had genoeg van een systeem waarin politieke beslissingen in functie van de partij in plaats van de behoeften van de mensen werden genomen en zette daarom een burgerbeweging in gang. Acht jaar later is hij niet enkel burgemeester van Frome geweest, maar heeft hij ook een DIY-handleiding geschreven om lokale politieke coups te plegen: Flatpack Democracy: a DIY guide to creating independent politics (2014). Een beter setting voor een festival dat het huidige politieke en economische systeem in vraag stelt, kunnen we ons niet inbeelden.  

Het is al donker wanneer we de (gelukkig nog openstaande) poorten van Field 725, het prachtige kampeerterrein waar het festival plaatsvindt, bereiken. Om onze Glamptent (de glamoureuze versie van een normale tent, nvdr.) te kunnen vinden, moeten we jammer genoeg eerst nog organisator Jonny uit zijn caravanbed bellen. Zo geschiedt en om een lang verhaal iets korter te maken, eindigt de eerste nacht in een plaatselijke Engelse pub met meerdere halve liters bier. Met andere woorden: “What happens in Frome, stays in Frome”.  

Foto: Joe Hulbert

Day Two: “The worst thing that can happen, is the failure to imagine”  

Dinsdagochtend sleurt de zon ons meedogenloos uit de tent: luxe of geen luxe, iedereen gelijk voor de wet van de hitte. Vele liters koffie later besluiten we om ook dit terrein alvast aan een grondige inspectie te onderwerpen. Field 725 bestaat uit een gezellige verzameling van bell tents, joerten en hutjes waarin er geglampt kan worden, ecologische toiletten en douches, een grote kampvuurcirkel, een bescheiden zwemvijver en voor de rest véél veld (meestal bezaaid met Quechua tentjes en caravans). Voor de gelegenheid staat er in een hoekje ook een kleine houten sauna, die samen met eigenaar Jem Engeland en omstreken afreist. Zoals het een echt festival betaamt, hebben de Stirrers drie ‘podia’ gecreëerd waar de debatten, workshops en lezingen doorgaan: de Sandbox Stage (een grote tent), de See Saw Stage (een iets kleinere tent) en de Merry-go-round (een joert verstopt tussen de bomen).  

De aftrap van het festival gebeurt met een introductie door de huidige Burgervader van Frome en een aantal kennismakingsrondjes, waaronder een mingle (iedereen loopt door elkaar en wanneer de muziek stopt leer je de persoon naast je kennen) en een oefening waarbij er in groepjes een slagzin bedacht wordt rond themavragen als how to learn, how to care, how to listen en how to connect. Wat meteen opvalt is dat het publiek voornamelijk uit gelijkgezinden tussen de twintig en de veertig bestaat. Het gevaar van preaching to the choir is dan ook reëel, al hoeft dat zich niet te manifesteren als er genoeg ruimte is voor debat en gezonde meningsverschillen. De namiddag komt rustig op gang met enkele inleidende workshops en lezingen, zoals Framing the New Economy (Daniel Stanley), Where next for community wealth building? (Sarah McKinley), Participatory budgetting (Peter MacFadyen, de godfather van de hierboven besproken flatpack democracy) en de launch van het nieuwe STIR-nummer, volledig in teken van het festival. Zo wordt er onder andere gedebatteerd over wat de New Economy nu eigenlijk is of zou kunnen zijn en werd de term zelf ook in vraag gesteld door het publiek. De democratische inslag van alternatieve economieën die de kop op steken, zoals bijvoorbeeld het systeem van de Bristol Pound dat mensen aanmoedigt om hun geld lokaal te besteden, is namelijk helemaal niet ‘nieuw’. Sterker nog, sommige van deze tendensen grijpen juist terug naar hoe het er in het pre-kapitalistische tijdperk aan toe ging. Er wordt dan ook geopperd dat we beter over een democratische, een solidaire of zelfs een Happy Economy zouden moeten spreken. En waarom ook niet? De hamvraag blijft uiteindelijk hoe we de huidige economieën kunnen democratiseren op zo’n manier dat het de lokale gemeenschappen ten goede komt. “The worst thing that can happen, is the failure to imagine”, om het in de woorden van een van de sprekers te zeggen. Zolang een betere toekomst denkbaar is, zal er geëxperimenteerd worden.  

Een dag als deze kan enkel eindigen met lekker biologisch eten, een veel te moeilijke Britse quiz, livemuziek en een kampvuur – en dit alles tegen het decor van een gedeeltelijk verduisterde maan. Dankzij een sterk staaltje improvisatietheater van twee gedeeltelijk kale mannen, die zich voor eventjes hemellichamen waanden, leren we dat de schaduw van de aarde hiervoor verantwoordelijk is. Conclusie: een over het algemeen zeer leerrijke eerste festivaldag.  

Foto: Joe Hulbert

 

Day Three: “Together you’re stronger, it’s that simple” 

Ook op woensdagochtend worden we redelijk vroeg door de zon uit onze tent gelokt. Echte durfallen kruipen in Jem’s Sauna en duiken vervolgens de zwemvijver in. Iets minder grote helden lezen in de schaduw een boek en drinken nog wat koffie. Vandaag is het programma veel uitgebreider dan gisteren: bijna alle workshops en lezingen overlappen, waardoor het soms moeilijk is om een keuze te maken. Het wordt dan ook schipperen geblazen tussen de verschillende podia om van zoveel mogelijk onderwerpen iets mee te pikken en om onze nieuwsgierigheid te stillen.  

De Sandbox en de See Saw Stage laten in de voormiddag niet meteen in hun kaarten kijken. Met workshops en lezingen zoals Five years later, why only one Bevy? (Ian Chambers) en Vote local, get Trump (Dan Gregory) blijft het, voor diegenen die het nieuwe STIR-nummer nog niet hebben doorgebladerd, soms giswerk wat er concreet besproken zal worden. De onderwerpen die in de Merry-go-round besproken worden, zoals Can innovation really strenghten BME communities? (Ubele) en Community capital and control (Nathan Brown), zijn dan weer transparanter en winden er geen doekjes om. Zo vertelt Yvonne Field van de BME (Black and Minority Ethnic) organisatie Ubele gepassioneerd over de projecten die ze realiseren. Een van die projecten is de Wolves Lane Community Food Hub and Market in Wood Green, een community enterprise waar locals hun gezamenlijk geteelde groenten en fruit kunnen verkopen. Ubele ondersteunt deze projecten omdat ze geloven in de kracht van het collectieve: “Together you’re stronger, it’s that simple”. Ook Nathan Brown hamert op de mogelijkheden die gecreëerd kunnen worden als een gemeenschap de (in dit geval financiële) krachten bundelt. Tijdens zijn workshop heeft hij het namelijk over community shares: een soort aandelen die enkel gebruikt kunnen worden in coöperaties of maatschappelijke organisaties. Het idee is dat elke aandeelhouder één stem krijgt en dat ze op elk moment uit het systeem kunnen stappen door hun aandelen terug te geven. Op die manier wordt er een poule van (lokale) investeerders gecreëerd die echt begaan zijn met de toekomst van, bij wijze van spreken, de pub of boekhandel om de hoek.  

Terwijl het in de voormiddag vooral rond gemeenschap en het collectieve leek te draaien, wordt er in de namiddag, met workshops zoals Decentralised decision-making (Richard Bartlett), How to thrive in a self-managed team (Nati Lombardo) en Looking after ourselves: burnout to resilience (Peter Lefort), meermaals een focus op het individuele gelegd. Coops en bottom-up organisaties draaien bijna volledig op vrijwilligers en het is dan ook belangrijk om hun noden te erkennen en grenzen af te bakenen. Dat geldt zowel voor de ‘externe’ vrijwilligers die graag een handje (of beter gezegd grote handen) toesteken, als voor de initiatiefnemers, die zeker de eerste twee à drie jaar zichzelf niet kunnen uitbetalen voor de tijd en moeite die ze in hun project steken en vaak over hun limieten gaan. Beide groepen bevinden zich in een delicate positie en worden vaak over het hoofd gezien in theorieën over bijvoorbeeld burnouts, aangezien het over ‘passieprojecten’ gaat en niet over ‘werk’ in de meest strikte zin van het woord. Peter Lefort ontkracht gelukkig die werkmythe tijdens zijn workshop door erop te hameren dat alles wat iemand doet voor iemand anders als werk beschouwd moet worden en burnout gevaren of dergelijke met zich mee kan brengen. In alle deelnemende ogen stond opluchting en verademing te lezen: een klein gebaar zoals de terminologische bevestiging van het vaak vrijwillige werk dat zij verrichten omdat ze een verschil willen maken, kan onnoemelijk grote gevolgen hebben.  

De alweer laatste avond van het festival wordt in gang gezet met Swing & Gipsy Jazz, Drum’n’Bass (waarom blijft voor ons ook een perfect raadsel?) en, u raadt het al, een kampvuur. Rond dat kampvuur worden plannen gesmeed om ons hoogsteigen commonsfestival te organiseren in België. Niet enkel wordt er laaiend enthousiast gefantaseerd over mogelijke samenwerkingen met de mensen van het STIR-magazine en over welke sprekers we zullen vragen, maar ook over welke Belgische muzikanten we kunnen uitnodigen en of er een zweethut kan komen (als variant op de sauna). Hierover echter spoedig meer. Wie overigens denkt dat een festival over politiek, economie en commons maar een saaie boel is, heeft duidelijk zijn weg niet gevonden naar de Stir to Action afterparty in de bosjes van Field 725. In een meer dan idyllische setting, tussen de bomen en onder een ritmisch opflikkerende disco- slash sterrenhemel, draaide (de in België nog niet zo bekende) deejay Beat Safari namelijk tot een respectabel uur dansbare plaatjes om onze verhitte hoofden terug af te koelen en tot rust te brengen.  

Day Four: “Time to go home, or: how we almost missed the ferry… again”  

De vierde ochtend voelen we dat er een ritme is ontstaan (koffie, koffie, koffie) en zijn we helemaal gewend geraakt aan het kampeerterrein met zijn composteerbare toiletten, openluchtkeuken en verzameling van gelijkgezinden. Alhoewel, de kou die ‘s avond in de tent trekt en ons nooit voor de eerste ochtendzon verlaat, zijn we toch niet volledig gewoon geworden en liever kwijt dan lief. Aangezien we stipt op de middag moeten vertrekken om onze ferry te halen, kunnen we jammer genoeg maar een paar workshops en lezingen meepikken van het festivalprogramma. We rapen dan ook nu al onze spullen bijeen, zodat er nog genoeg tijd over is om afscheid te nemen van de unieke mensen die we tijdens deze vierdaagse hebben leren kennen en om eindelijk een praatje te kunnen slaan met de drukbezette Peter Macfadyen en met organisator John (die we niet meer terug hebben gezien nadat we hem uit bed gebeld hadden, oeps).  

Dezelfde lange tocht als in het heengaan (met pauze in een écht Engels wegrestaurant) en, jawel, alweer een bijna gemist ferryrit later, varen we deze keer de haven van Calais binnen. Afscheid nemen duurt altijd langer dan verwacht, zeker wanneer je belangrijke ideeën uit de doeken wilt doen over internationale samenwerkingen, en ferryhavens zijn nu eenmaal ingewikkelde doolhoven waar je een punthoofd, of in ons geval een uilenhoofd, van krijgt. Op de terugweg van Calais naar Gent is aan de sfeer merkbaar dat het avontuur langzaam op zijn einde loopt, maar dat kan ook liggen aan de jetlag die we hebben opgelopen door het uur verschil tussen Engeland en België. Desalniettemin waren het vier interessante, leerrijke en grappige dagen waarin semi-onbekenden elkaar iets beter hebben leren kennen en inspiratie hebben opgedaan om nieuwe projecten en samenwerkingen te initiëren en, bovenal, te blijven experimenteren.  

 

Reisverslag door Laure-Anne Vermaercke  

 

Belgische delegatie : Evi Swinnen (Timelab), Willy Thomas (theatermaker/arsenaal Mechelen/grond der dingen), Einat Tuchman (danser) Sigrid Bosmans (Artistiek directeur Museum Hof van Busleyden/grond der dingen) en Koen Wynants (Commons Lab Antwerpen), Laure-Anne Vermaercke (student Cultuurmanagment UA)

 

Enkele links: