1 januari 2030

Ik herinner me tien jaar geleden nog als gisteren. Dat virus, de eerste keer. De acute wereldwijde strijd ertegen gaf ons een gemeenschappelijke vijand. Het bracht ons instant zingeving, maar werkte tegelijkertijd blikvernauwend. Het bracht de kwetsbaarheid en irrationaliteit van de mens en wereld in alle hevigheid naar boven. Intussen is niets is nog wat het lijkt.

Als kind van de jaren 80 was ik een veertiger in 2020. Mijn ouders zijn de babyboomers. Zij leefden en ademden het geloof in de markt. Het geloof dat alles verhandelbaar is. Dat arbeid tot werk leidt, tot loon, tot welvaart. Dat middelen schaars zijn en dus: dat er rijken en armen zijn. Dat solidariteit nodig is om die ongelijkheid te accepteren. En vooral: dat je maar beter aan de kant van de rijken zit. Dat succes een levensdoel is en je daarvoor geld nodig hebt en dus moet kunnen ‘managen’. Een sterk staaltje katallaktiek is dat. Tot de wereld ineens even helemaal tot stilstand kwam.

Een kunstenbeleid gestoeld op dit paradigma, had de Vlaamse scène tot grote internationale successen gebracht. Prestige, winst, sterrendom. Het was de opleving van een sterke sector en een breed landschap met grote instellingen en een handvol ‘succesvolle’ enkelingen in het centrum. In de marge bevonden zich heel veel individuele kunstenaars en kleine organisaties die hunkerden naar dat centrum. Het model werd uitgetekend door de monetaire macht.

Een succes over de hele lijn. Een vlucht vooruit. Maar de goed geoliede machine heeft helaas ook geleid tot de acceptatie dat 1% meer heeft dan de overige 99% samen, en dat Noord en Zuid nooit gelijk kunnen zijn zónder de planeet uit te putten. Dat we de planeet nodig hebben en dus accepteren dat rassen klassen zijn en klassen kansen. Dat de waarheid storytelling is, en morele verbeelding een luxe. En precies dat alles ging de voorbije jaren grondig schuiven.

Liefste Kunsten 2020, ik weet dat je vandaag leeft in chaos. Het oude is niet meer en het nieuwe is nog niet geboren. Je zit er middenin en je blik is troebel. Je beseft meer dan ooit dat de mens kwetsbaar is. Je ziet machtsclusters samenklonteren en ontbinden in een razend tempo. Maar niets is wat het lijkt. Daarom schrijf ik deze brief. Omdat ik wil dat je erop vertrouwt dat alles goed komt.

Samen met de chaos komen introspectie en het besef dat we een wereld hebben gecreëerd die niet voldoende veerkrachtig is. Dat we controle willen over het oncontroleerbare leven. Ik wil je vertellen hoe de kunsten in staat zullen blijken om veerkrachtig te zijn en het vertrouwen in het onvoorspelbare en ongrijpbare te herstellen.

We zaten grondig fout toen we de waarde van cultuur probeerden te vatten in groeicurves. Toegegeven, het was een poging om legitimiteit te winnen in tijden van existentiële crisis. We wisten al jaren dat het model van groei en concurrentie, van zelfopgelegde meetbaarheid en van uitputting van mensen en middelen onhoudbaar was. Dat processen en procedures de toon zetten. Die enorme druk op produceren en vermarkten heeft geleid tot een verstoring en verzuring van het mentale, fysieke en materiële welzijn van de kunstenaars en cultuurwerkers. Krampachtig bleven we ons bewijzen met nóg meer voorstellingen, nóg meer grafieken, nóg meer promotie.

STOP. STILTE. RUST. Een ander model dringt zich op. CoViD-19 werd een crisis, gebouwd op angst en het failliet van een economisch paradigma. We waren klaar om de kunstensector als markt te ontzenuwen en plaats te maken voor kunst als capaciteit voor sociaal en politiek debat. Dit heeft ervoor gezorgd dat de kunsten een van de meest veerkrachtige van de oude ‘sectoren’ zal worden.

Veerkracht kan je niet uittekenen, voorspellen en managen. Je kan enkel de condities creëren waarin veerkracht zich kan ontwikkelen. Het is nu eenmaal een dynamische eigenschap van een systeem. In de interactie tussen stabiliserende en destabiliserende krachten ontstaan evenwichtspunten. Het zijn die punten van (tijdelijke) zekerheden die het proces van ontwikkeling vormgeven. Een proces dat per definitie open-eindig en tijdsgebonden is.

Anders dan logisch of causaal spreken we in 2030 steeds vaker van een ‘panarchische’ structuur om het landschap te tekenen. Panarchie vertrekt vanuit de vaststelling dat overmatige controle leidt tot verval. De alternatieve houvast voor controle heet voortaan veerkracht. Principes als flexibiliteit, onvoorspelbaarheid, persistentie, aanpasbaarheid en variabiliteit staan centraal. In dit model zijn niet langer winst of aanhang, maar wel veranderingsvermogen, elastische verbindingen en veerkracht de parameters om ontwikkeling te meten en ‘economisch’ potentieel te zien. Maar dit proces ging niet over rozen. De evenementensector en alle schakels in de zogeheten waardeketen of -cluster die het dichtst bij de markt stonden, kregen het zo hard te verduren dat velen van hen verdwenen. Ook het geloof in horeca als belangrijkste lucratieve bron van eigen inkomsten kreeg een serieuze knauw. De vele periodes van lockdowns gaven zuurstof aan debat en reflectie. Net als vele burgers deed de sector gedwongen aan existentiële zelfbevraging.

Dus ook op microschaal hebben schijnbaar kleine ingrepen een groot effect gehad.

Concreet zien we dat organisaties vaker incrementele of stapsgewijze procesontwikkeling toepassen, met een andere benadering van begrippen als budget, opbrengst, reserve en waarde. Meer en meer organisaties gebruiken intussen het principe van toegewezen en beschikbare budgetten: toegewezen budgetten geven de nodige zekerheid op inkomen, beschikbare budgetten kunnen opgenomen worden tijdens het proces van ontwikkeling. Niet opgenomen budgetten worden op korte termijn herverdeeld met inspraak van alle betrokkenen. Zo worden acute noden in het veld gelenigd, maar wordt er ook aanzienlijk minder (over)geproduceerd.

Anders dan een aanjager van strijd en competitie om meer middelen in de sector, heeft de overheid zich hervormd tot een medestander voor de kunsten. Nu het veld zichzelf niet meer tekent als centrum en marge, als groot en klein, als oud en jong, als conservatief en progressief, krijgt de overheid een heel andere rol toebedeeld. Vandaag is de tandem praktijk en beleid een evidentie, zelfs al zijn ze het niet vaak eens. Een veerkrachtig beleid vandaag erkent drie rollen en ruimtes die samen een onlosmakelijke dynamiek vormen.

Centraal staat ruimte waarin akkoorden en samenwerkingen de boventoon voeren. Vergelijk die met wat we voorheen vaak benoemden als: mainstream, centrum of standaard. Het tempo is gemiddeld. De overheid en het veld gaan hand in hand, erkennen elkaars rol en versterken elkaar. Ze zijn onderling afhankelijk.

De korte snelle beweging in de ruimte van onderuit is het experimentele, de praktijk van aftasten van de grenzen, korte acties, klein en snel. Kortom: de kunst in haar politieke kracht, autonoom en actueel. Kernwaarden zijn hier openheid, vertrouwen, ruimte creëren en kansen geven. De overheid laat haar sturende rol los en creëert een regelluwe omgeving.

De grotere derde ruimte is veel trager en en werkt als het geheugen van de transitie. Zij stabiliseert, herinnert en en is eerder conservatief van aard.

De introductie van de panarchie heeft een ongezien effect gehad op de relatie tussen de kunst en de samenleving. Autonomie en onderlinge afhankelijkheid kwamen meer in balans.

Na de diepgaande destabilisering in 2020 werd duidelijk dat alle vormen van voorwaardelijk bestaansrecht nefast zijn voor veerkracht en de kern zijn van veel ongelijkheden. Of het nu voorwaardelijke uitkeringen of subsidies zijn, het zijn modaliteiten waarbij de meerwaarde moet gemeten worden terwijl de waarde onmeetbaar is.

Alhoewel we het niet leken te zien aankomen, kwam de omvang van de crisis natuurlijk niet uit het niets. Het aanwezige onbehagen in de samenleving was al een tijd aanwezig. Affectieve sociale productie zoals het werk van de zorgverlener kregen dankzij de crisis de erkenning die ze verloren had. Laat de kunsten nu net een voorbeeld zijn van affectieve sociale productie. Intrinsieke en unieke arbeid die beroert. Wat hier gecreëerd wordt, zorgde niet alleen voor een betere balans tussen kunst en burgers, beleid, ondernemers, wetenschappers en middenveld maar leidde ook tot een veel sterkere politieke en sociale betrokkenheid in de hele samenleving.

Kortom: De broodnodige ‘ontgroei’ kon worden ingezet zonder het experimentele en precaire te verliezen. Relaties en zorg kwamen sterker op de voorgrond, met vertraging en verstilling tot gevolg. Tot slot is er een verankerde positie van de kunsten in de samenleving en zien we een versterking van het politieke debat.

Allerliefste kunsten anno 2020, je hebt veerkracht in het bloed en de kracht van jouw stem. Zet volop op die kracht in. Je zal zien dat alles goed komt.

Hartelijke groet en warme knuffels,

Evi