liefste kunstensector in 2020

1 januari 2030

Ik herinner me tien jaar geleden nog als gisteren. Dat virus, de eerste keer. De acute wereldwijde strijd ertegen gaf ons een gemeenschappelijke vijand. Het bracht ons instant zingeving, maar werkte tegelijkertijd blikvernauwend. Het bracht de kwetsbaarheid en irrationaliteit van de mens en wereld in alle hevigheid naar boven. Intussen is niets is nog wat het lijkt.

Als kind van de jaren 80 was ik een veertiger in 2020. Mijn ouders zijn de babyboomers. Zij leefden en ademden het geloof in de markt. Het geloof dat alles verhandelbaar is. Dat arbeid tot werk leidt, tot loon, tot welvaart. Dat middelen schaars zijn en dus: dat er rijken en armen zijn. Dat solidariteit nodig is om die ongelijkheid te accepteren. En vooral: dat je maar beter aan de kant van de rijken zit. Dat succes een levensdoel is en je daarvoor geld nodig hebt en dus moet kunnen ‘managen’. Een sterk staaltje katallaktiek is dat. Tot de wereld ineens even helemaal tot stilstand kwam.

Een kunstenbeleid gestoeld op dit paradigma, had de Vlaamse scène tot grote internationale successen gebracht. Prestige, winst, sterrendom. Het was de opleving van een sterke sector en een breed landschap met grote instellingen en een handvol ‘succesvolle’ enkelingen in het centrum. In de marge bevonden zich heel veel individuele kunstenaars en kleine organisaties die hunkerden naar dat centrum. Het model werd uitgetekend door de monetaire macht.

Een succes over de hele lijn. Een vlucht vooruit. Maar de goed geoliede machine heeft helaas ook geleid tot de acceptatie dat 1% meer heeft dan de overige 99% samen, en dat Noord en Zuid nooit gelijk kunnen zijn zónder de planeet uit te putten. Dat we de planeet nodig hebben en dus accepteren dat rassen klassen zijn en klassen kansen. Dat de waarheid storytelling is, en morele verbeelding een luxe. En precies dat alles ging de voorbije jaren grondig schuiven.

Liefste Kunsten 2020, ik weet dat je vandaag leeft in chaos. Het oude is niet meer en het nieuwe is nog niet geboren. Je zit er middenin en je blik is troebel. Je beseft meer dan ooit dat de mens kwetsbaar is. Je ziet machtsclusters samenklonteren en ontbinden in een razend tempo. Maar niets is wat het lijkt. Daarom schrijf ik deze brief. Omdat ik wil dat je erop vertrouwt dat alles goed komt.

Samen met de chaos komen introspectie en het besef dat we een wereld hebben gecreëerd die niet voldoende veerkrachtig is. Dat we controle willen over het oncontroleerbare leven. Ik wil je vertellen hoe de kunsten in staat zullen blijken om veerkrachtig te zijn en het vertrouwen in het onvoorspelbare en ongrijpbare te herstellen.

We zaten grondig fout toen we de waarde van cultuur probeerden te vatten in groeicurves. Toegegeven, het was een poging om legitimiteit te winnen in tijden van existentiële crisis. We wisten al jaren dat het model van groei en concurrentie, van zelfopgelegde meetbaarheid en van uitputting van mensen en middelen onhoudbaar was. Dat processen en procedures de toon zetten. Die enorme druk op produceren en vermarkten heeft geleid tot een verstoring en verzuring van het mentale, fysieke en materiële welzijn van de kunstenaars en cultuurwerkers. Krampachtig bleven we ons bewijzen met nóg meer voorstellingen, nóg meer grafieken, nóg meer promotie.

STOP. STILTE. RUST. Een ander model dringt zich op. CoViD-19 werd een crisis, gebouwd op angst en het failliet van een economisch paradigma. We waren klaar om de kunstensector als markt te ontzenuwen en plaats te maken voor kunst als capaciteit voor sociaal en politiek debat. Dit heeft ervoor gezorgd dat de kunsten een van de meest veerkrachtige van de oude ‘sectoren’ zal worden.

Veerkracht kan je niet uittekenen, voorspellen en managen. Je kan enkel de condities creëren waarin veerkracht zich kan ontwikkelen. Het is nu eenmaal een dynamische eigenschap van een systeem. In de interactie tussen stabiliserende en destabiliserende krachten ontstaan evenwichtspunten. Het zijn die punten van (tijdelijke) zekerheden die het proces van ontwikkeling vormgeven. Een proces dat per definitie open-eindig en tijdsgebonden is.

Anders dan logisch of causaal spreken we in 2030 steeds vaker van een ‘panarchische’ structuur om het landschap te tekenen. Panarchie vertrekt vanuit de vaststelling dat overmatige controle leidt tot verval. De alternatieve houvast voor controle heet voortaan veerkracht. Principes als flexibiliteit, onvoorspelbaarheid, persistentie, aanpasbaarheid en variabiliteit staan centraal. In dit model zijn niet langer winst of aanhang, maar wel veranderingsvermogen, elastische verbindingen en veerkracht de parameters om ontwikkeling te meten en ‘economisch’ potentieel te zien. Maar dit proces ging niet over rozen. De evenementensector en alle schakels in de zogeheten waardeketen of -cluster die het dichtst bij de markt stonden, kregen het zo hard te verduren dat velen van hen verdwenen. Ook het geloof in horeca als belangrijkste lucratieve bron van eigen inkomsten kreeg een serieuze knauw. De vele periodes van lockdowns gaven zuurstof aan debat en reflectie. Net als vele burgers deed de sector gedwongen aan existentiële zelfbevraging.

Dus ook op microschaal hebben schijnbaar kleine ingrepen een groot effect gehad.

Concreet zien we dat organisaties vaker incrementele of stapsgewijze procesontwikkeling toepassen, met een andere benadering van begrippen als budget, opbrengst, reserve en waarde. Meer en meer organisaties gebruiken intussen het principe van toegewezen en beschikbare budgetten: toegewezen budgetten geven de nodige zekerheid op inkomen, beschikbare budgetten kunnen opgenomen worden tijdens het proces van ontwikkeling. Niet opgenomen budgetten worden op korte termijn herverdeeld met inspraak van alle betrokkenen. Zo worden acute noden in het veld gelenigd, maar wordt er ook aanzienlijk minder (over)geproduceerd.

Anders dan een aanjager van strijd en competitie om meer middelen in de sector, heeft de overheid zich hervormd tot een medestander voor de kunsten. Nu het veld zichzelf niet meer tekent als centrum en marge, als groot en klein, als oud en jong, als conservatief en progressief, krijgt de overheid een heel andere rol toebedeeld. Vandaag is de tandem praktijk en beleid een evidentie, zelfs al zijn ze het niet vaak eens. Een veerkrachtig beleid vandaag erkent drie rollen en ruimtes die samen een onlosmakelijke dynamiek vormen.

Centraal staat ruimte waarin akkoorden en samenwerkingen de boventoon voeren. Vergelijk die met wat we voorheen vaak benoemden als: mainstream, centrum of standaard. Het tempo is gemiddeld. De overheid en het veld gaan hand in hand, erkennen elkaars rol en versterken elkaar. Ze zijn onderling afhankelijk.

De korte snelle beweging in de ruimte van onderuit is het experimentele, de praktijk van aftasten van de grenzen, korte acties, klein en snel. Kortom: de kunst in haar politieke kracht, autonoom en actueel. Kernwaarden zijn hier openheid, vertrouwen, ruimte creëren en kansen geven. De overheid laat haar sturende rol los en creëert een regelluwe omgeving.

De grotere derde ruimte is veel trager en en werkt als het geheugen van de transitie. Zij stabiliseert, herinnert en en is eerder conservatief van aard.

De introductie van de panarchie heeft een ongezien effect gehad op de relatie tussen de kunst en de samenleving. Autonomie en onderlinge afhankelijkheid kwamen meer in balans.

Na de diepgaande destabilisering in 2020 werd duidelijk dat alle vormen van voorwaardelijk bestaansrecht nefast zijn voor veerkracht en de kern zijn van veel ongelijkheden. Of het nu voorwaardelijke uitkeringen of subsidies zijn, het zijn modaliteiten waarbij de meerwaarde moet gemeten worden terwijl de waarde onmeetbaar is.

Alhoewel we het niet leken te zien aankomen, kwam de omvang van de crisis natuurlijk niet uit het niets. Het aanwezige onbehagen in de samenleving was al een tijd aanwezig. Affectieve sociale productie zoals het werk van de zorgverlener kregen dankzij de crisis de erkenning die ze verloren had. Laat de kunsten nu net een voorbeeld zijn van affectieve sociale productie. Intrinsieke en unieke arbeid die beroert. Wat hier gecreëerd wordt, zorgde niet alleen voor een betere balans tussen kunst en burgers, beleid, ondernemers, wetenschappers en middenveld maar leidde ook tot een veel sterkere politieke en sociale betrokkenheid in de hele samenleving.

Kortom: De broodnodige ‘ontgroei’ kon worden ingezet zonder het experimentele en precaire te verliezen. Relaties en zorg kwamen sterker op de voorgrond, met vertraging en verstilling tot gevolg. Tot slot is er een verankerde positie van de kunsten in de samenleving en zien we een versterking van het politieke debat.

Allerliefste kunsten anno 2020, je hebt veerkracht in het bloed en de kracht van jouw stem. Zet volop op die kracht in. Je zal zien dat alles goed komt.

Hartelijke groet en warme knuffels,

Evi


How to Deal with the Unexpected: on Commons, Crisis and Power

An open conversation between Michel Bauwens (MB) and Evi Swinnen (ES), moderated by Laure-Anne Vermaercke (LV)

It’s May 2020. The world is suffering from a pandemic never seen before, riots for social justice are spreading all across the United States and Europe, and we are heading into one of the hottest summers ever. At the same time we see that grassroots and commons initiatives are resurfacing during these times of crisis: the maker community is saving lives by providing protective equipment against Covid-19 faster than traditional supply chains; solidarity initiatives are becoming more visible; and care economies are gaining ground on extractive economies. Lockdowns have put the rat race on hold and have revealed all the excesses of capitalism. Artists and commoners are taking a stand to imagine a post-coronavirus world of solidarity and care. 

With this context in mind, Evi Swinnen, initiator of Timelab1, and Michel Bauwens, founder of the P2P Foundation2, discuss the re-emergence of the commons in times of crisis, but also the danger of enclosure by forces of capital and state. They talk about the threat of exclusivity and polarisation of the urban commons and explore ways to renegotiate power, leadership and collaboration. They also tackle how hacking the existing capitalist structures in a time of need is a great example of what a possible future, which challenges the current system and creates a transformative scenario, might look like. By way of conclusion, they don’t propose ‘one specific way out’, but rather accept that there are different possible scenarios.  

LV: Welcome, Michel and Evi. Michel, in an interview published in 2019 on OuiShare you stated that “every time a civilization is in crisis, there is a return of the commons”. Maybe we can start this open conversation by elaborating further on that statement.3 Do you see the current crisis we are now facing as an opportunity to move towards becoming a more inclusive society?

MB: I believe that looking into the history of the commons shows us that their fortunes rise and decline.4 Both here and in the interview you mention, I refer to the concept of wave-pulse theory.5 There is evidence today that the urban and other commons are re-emerging.[/efn_note] During the more extractive periods of historical time, in which resources are overused, the commons tend to weaken and are enclosed, but during regenerative periods, the commons re-appear as a central human institution in order to restore societies’ ecological and social balance.6 There is evidence today that the urban and other commons are re-emerging.  

ES: I definitely believe that opportunities are emerging during times of crisis. It is an interesting observation to see the rise of commons as a prelude for change towards a more regenerative period. There is indeed a tendency of revival of co-ops, citizen initiatives and a strong rise of community currencies and local production, which could be seen as elements of a transition towards a regenerative period. At the same time, however, I think we both must acknowledge that many commons are still subject to enclosure today. And as much as we see opportunities arise in times of crisis, we also have to be aware that change needs time.

MB: I think what you are describing is the difficulty of seeing clearly what is happening in an intermediary period. Take for example the financial crisis of 2008. It has engendered precisely what one would expect in the context of wave-pulse theories, i.e. a revival of the commons. We saw not only an explosion of shared knowledge and open source/design communities and the growth of makerspaces and other spaces of collaboration, but a tenfold increase in urban commons projects in several European cities. A concrete example is the city of Ghent: there were about 50 urban commons projects in 2006, but over 500 in 2016.7

ES: I remember the crisis of 2008 very clearly, because that was the foundation to establish Timelab. We wanted to strengthen the position of the arts and makers’ attitude as a driving force in social and economic change. My organisation was part of what was later called the maker movement. At the core of the movement were the hackerspaces around the year 2000, open communities with non-hierarchical organisational models that were switching from open source software to hardware and therefore started sharing space. The whole movement has its roots in activism, debating topics such as property, privacy, autonomy and collaboration. I think what happened over the past years was great and it was inspiring to see how experimenting became a legitimate form of innovation. Unfortunately, to repeat the argument I made earlier, the maker movement has also been enclosed many, many times. 

MB: Under capitalism, the extractive system ‘par excellence’, the commons have been massively enclosed, a process usually dating as far back as the 13th century8, and they are indeed still subjected to further enclosures to this day. The Marxist geographer David Harvey calls this “accumulation by dispossession”, which he describes as a strategy for neoliberal capitalism to centralise wealth and power. Capitalism can thus be equated by the privatisation of commons, and commoning is transforming capital into a common resource, but that does not belong to the state.

ES: The link between a strong market and state and accumulation by dispossession is very clear when we look at the development of shared spaces in the European territories after 2008. The South of Europe was hit harder by the financial crisis of 2008, and has, in comparison to the North of Europe, a lot more co-creation hubs, such as multi-factories, makerspaces, co-offices and shared workshops. In fact, we see that in the North of Europe there are not only fewer co-creation hubs, but they are also less autonomous and political, because they often operate in strong partnerships with the market and/or the state where the Global South was stimulated to come up with other models of working independently from market and state. This is of course a generalisation, because there are places in the North where spaces are run by independent communities and places in the South and East of Europe that were established through European funding. What is certain, however, is that there is a relationship between the presence and type of shared space and the level of trust in the market and/or the state. This might seem like a paradox, because a lot of people consider the partnerships as a great success, but I think there is a very thin line between the strong partnerships with the market and/or the state and the process of enclosure and disempowerment. 

MB: A large-scale study of 1,000 urban commons, undertaken by LabGov9, confirms your conclusions, Evi. Effectively, in the Global North, there are now political forces, mainly present in public administration, that acknowledge the need to support commons-based initiatives and have developed a support infrastructure and protocols for public-commons. In the Global South, on the other hand, the commons are considered as something of the past that has no progressive role. So commoners in the mega-cities in the Global South, such as Mumbai, Lagos or Bogota, are most often acting against governmental pressure, which paradoxically makes them more autonomous. Nevertheless, I still see the public-commons alliance and resulting protocols of cooperation as a necessity and counterweight to the ‘socialism of the rich’ represented by neoliberal policies. Much of our success will depend on the attitudes of the commoners themselves: do they see themselves as transformative actors of the deeper societal structures, or just as local actors, behaving as the plebeians of ancient Rome, i.e. ignoring the larger issues unless they are directly affected. 

LV: To summarise your opinion, Michel, you acknowledge the fact that commons in the Global South are, paradoxically, more autonomous and political than the commons in the Global North, but at the same time you still believe in the value of a public-commons alliance, i.e. a partnership between the commons and the state. Do public-commons alliances have the potential to bring about systemic change? And, directed to you Evi, what changes must the existing alliances undergo in order to make them work? 

ES: Let me start by discussing a few challenges within public-commons, and also private-commons, coalitions in a real and recent example. At the beginning of the Covid-19 outbreak, many countries ran out of protective equipment for care workers and tests and material to protect their citizens from the virus. So the only option was a total lockdown, with all its associated socio-economic consequences. In the meantime, the ignorant brutality of the neo-liberal market started to unfold: the strategy of scarcity and war on resources overruled the goal to save lives. To help address this urgent problem, we developed the MASK ADAM project: an open available model for 3D printed face masks adjusted to individual physiognomy, context of use and available materials. During this project, a couple of striking obstacles were revealed. For instance, testing facilities needed for accreditation can only be realised when the mask is developed within an established institution authorised by the government. The tests are executed on the standardised white male test dummies. On top of that, scientists are falsely declaring that techniques such as 3D printing will never produce safe masks and companies and research institutions are not interested in collaboration as long as the development stays open. An important question is, therefore: how can you imagine a public-commons alliance when you want to change the system in which one of the partners is anchored? I see that the maker movement is gaining trust and there is a genuine interest in collaborating, but it is also subject to disempowerment strategies and enclosure. The example of MASK ADAM is not a unique case. In Italy, makers copied a vital part of ventilators for respiration because they ran out of stock. By doing so they saved lives, a goal they share with the company. Yet instead of partnering with the makers, the company sued them.

To specifically answer the question, I think the public-commons alliance can only work with a clear definition of roles, and even then there is still the threat of enclosure. The LabGov approach Michel mentioned with the Co-City protocol10 is inspiring when it comes to understanding a possible public-commons partnership. The linear development strategy the study proposes can perhaps be questioned, but otherwise commoning.city offers a great methodology that positions the role of the state towards commons initiatives in terms of a sustainable, shared and open future. By acknowledging the practices and prototyping protocol, the state takes the role of prototyping adjustments to the legal context based on the observation of practice. The adjustments are tested in practice and modelled based on the feedback from the practice.

MB: The example of MASK ADAM shows how our current capitalist system is unable to meet both ecological demands and social and cultural demands for P2P and commons driven autonomy. The priority of capitalism is and remains to guarantee short-term profit and capital accumulation above all else. However, the example also shows that Covid-19 truly presents a massive challenge to the system, and I find it significant that the medical sector was able to override the power of capitalism and the economy, which both suffer gravely from the lockdown. Covid-19 is a great revealer and accelerator of the global systemic crisis. My expectation is that we will never fully recover from it and that we have entered the ‘intensive’ phase of chaotic transition, in which a series of interlocking crises will prevent any return to normality. I strongly recommend looking into the interpretative scheme of Peter Pogany in his book Rethinking the World11, which focuses on the interplay between succeeding stable systems and the intermediary chaotic transitions that occur between stable states. We now have to mobilise for a positive outcome that solves both the ecological and social crisis. That a city like Minneapolis decides to abolish its police force is a perfect indication of what can be achieved by social mobilisation. If we fail, what comes next will be much worse than capitalism, as McKenzie Wark has argued in her critique of the new information-based ruling class with its vision of total control.12 

ES: You suggest that we have entered the ‘intensive’ phase of a chaotic transition and that a series of crises will prevent any return to normality. The question is of course: what is normal? What is recovery? To go back to what? Recent history has indeed shown how pandemics – from SARS, Swine Flu, Zika, Ebola to the current coronavirus – can have a tremendous impact on the economy, social life, political hegemony and state stability. At this moment there are many innovators, artists and disruptive actors envisioning another future post-coronavirus. It is a time to dream big. Can we embrace hybridity, dissonance and care and imagine a world that is not cyclical, evolutionary or pulsatile but open and unknown?

LV: Michel, you suggest that we have reached a ‘turning point’ of systemic transition towards a post-capitalist reorganisation, and Evi, you believe that the time to ‘dream big’ is now. How do you envision this post-capitalist, and post-coronavirus world? 

MB: I think the vision of Yanis Varoufakis13 captures the duality of this turning point in a really interesting way: he argues that it is the task of the left to ‘stabilise capitalism’, but also to use this moment to construct post-capitalist alternatives. I tend to be sympathetic to this vision, to the degree that it seems hard to imagine the total abolition of this form of capitalism ‘in time’ to ‘save the world’. Based on the earlier described insights into the dynamics of chaotic societal transitions of Peter Pogany, I believe that the disintegration of the old system, and the ensuing chaos, carry with them the seeds of new solutions. Only after the consolidation of the new system will we be able to say which of these seeds had evolutionary capacity and has caused ‘real traction’. The creation of imaginative scenarios can help in discerning the major choices and bifurcations. In the context of our work at the P2P Foundation, we use four different scenarios in terms of how possible futures deal with the commons in specific ways.14 In short, if we combine the axis of the centralised versus decentralised nature of socio-technical organisation with the axis of for-profit versus for-benefit, we get four quadrants of possible socio-technical worldviews. That of the centralised platforms, which gives us surveillance and precarity; that of distributed capitalism, promoted by libertarian blockchain proponents; but also a worldview where local urban commons are thriving; and a possible world of global open source communities, which operate at a trans-national level. Global scientific collaboration was prefigurative of this.15 These four potential futures are each being developed and growing at the same time. 

ES: Regarding what a post-capitalist system might look like, I’m very interested in the approach of researchers such as Ron Eglash. In his Decolonizing Digital Fabrication16 and Of Marx and Makers17, Eglash offers the ‘parasite-host relationship’ as a model for post-capitalism, in order to strive towards generative justice. He describes the open source production model as a parasite of the mass production extractive industry, which is characterised by alienated labour. He gives the example of the arduino lilypad: an open source microcontroller for smart textiles. To use it, one still needs mass produced parts, such as sewing needles or chips, but it creates unalienated labour that enables the condition for what he calls ‘generative justice’. This is consistent with a system that is not built on property, debt and extraction of all forms of bio and planetary resources and, therefore, not supporting the ends of capitalism. 

Going through a global crisis of the extent of a pandemic and the many riots for justice that are happening right now has also made me more aware than ever of the prevailing cultural hegemony. Covid-19 shows us how world leaders are exploiting the chaos to enforce their power – China comes to the rescue, Sri Lanka uses the virus to suppress Muslims and right-wing Schengen leaders see the opportunity to close borders for people and resources – and how they use military language and strategies. The result is another rise in polarisation and suppression of groups who are not empowered to follow the rules and demands, or who are already dealing with exclusion, racism and violence. In other words: we have to be aware that the crisis brings opportunities for innovation, but we also have to be aware that deep ruptures have a high impact on power shifts between the market, the state and commons. Attempts to change the power relations, as a lot of urban commons and grassroots initiatives undertake, are often answered with a reaction that comes from a place of violence. In a way this shows that power is shifting, but the exponential rise of violence in different forms is at the same time very alarming and asks for care, safe spaces and political voicing. In this context, I would like to circle back to David Harvey and the concept of accumulation by dispossession. An important insight of Harvey is that he not only talks about property, land or resources in terms of enclosure, but also about identity, humanity, social justice and voicing.

MB: You mention the problem of power, and this is indeed vital to consider, especially because we cannot escape it. In fact we should create commons that can maintain and protect themselves as seed forms within a dominant regime that is not favourable to it. We have to think through what kind of market forms and state forms can be commons-friendly, because we cannot separate individual commons from the wider political economy in which they exist. I envision an appropriate state form as a set of common good institutions that guarantee and sustain ‘commons of capabilities’, so that every citizen is assisted in the development of skills that can contribute to the commons. I would also like to refer to the work of Genevieve Fontaine here, on how to make commons more inclusive. Ron Eglash and his team, who have been working on generative justice, have also been active in this domain, focusing on racial disparities induced by the current socio-technical frameworks.18 These are not easy things to do, since commons are also elective. Right now we have the paradox that theoretically inclusive civic commons attract the better educated sections of the population, while the theoretically closed ethnic and religious commons reach the excluded sections of the population. We have to work on commons-based ecosystems that can integrate these different populations.

LV: As you both state, the question of power, and how the existing power relations are challenged in these times of crisis, is indeed very interesting and important to consider. Michel, you mention that we ‘cannot escape’ power, can you elaborate on this? 

MB: It has to be possible for people to exercise power, but defined as ‘power with’. That’s why I don’t believe in pure horizontal power, which needs continuous heavy processing and often requires consensus based on the lowest common denominator. It usually leads to a very small group of core activists to decide for everyone else. We should think instead about how to replace ‘vertical’ power with ‘diagonal’ power, or ‘heterarchical’ power, which means distributed power, ‘leaderfullness’ rather than ‘leaderlessness’.19 It is in this context that Jo Freeman wrote her famous essay about the ‘tyranny of structurelessness’20, i.e. that the lack of formalisation of power doesn’t mean there is no power, but rather that it is hidden. So, yes, I have observed these contradictory dynamics, but I don’t think these are solvable through any utopian solution; rather this tension has to be recognised, and transcended through hybrid governance systems. What is crucial is that action is always possible rather than paralysed. If you want your project to advance, mere empathic and affinity based coordination is not sufficient, and you need to exist ‘over time’, which means, inevitably, to form an institution that can last. And such an institution cannot last without sufficiently strong measures against centrifugal forces.

ES: I think it is notable you talk about leadership in this context. In practice, perhaps the concept of horizontal power is not the problem, but rather the lack of tactics to voice the unarticulated. Horizontal decision-making often creates the illusion of equal voices. Unclear or, as stated in the tyranny of structurelessness, hidden power relations can further violate unarticulated voices. When these decisions are presented as representing the voice of all, we are building oligarchies and fostering exclusivity. There are effective methods to get as close as possible to a decision that represents the whole group. In my practice I like to work with fluid temporary roles and unconsolidated power without being structureless, but, on the contrary, very explicit. This formalises the power without installing permanent hierarchy. It must be combined with a consent decision-making method. Sociocracy 3.0 describes this as ‘artful participation’.21 

Recent movements, such as Extinction Rebellion and Black Lives matters, are being perceived as unorganised but are actually characterised by unconsolidated power. Michael Hardt and Antonio Negri22 enquire into how leadership works in such social movements. One of the known critiques is that these movements did not always realise what they promised, supposedly because of a lack of leadership in the groups. This critique presumes that only a strong charismatic leader can bring about true political change. This is historically incorrect. Studying feminists, anti-racial, students or labour movements shows that there is an historical inaccuracy of recognising the political successes of the movements only as successes of their leadership. One could ask: where have all the leaders gone? They are in prison, killed or put on trial. What we see is that anti-revolutionaries have a variety of oppression strategies to destabilise. That is why we need social movements with decentralised hybrid power to make the change. Here we see another type of leadership unfolding. There is an internal mechanism within these movements that avoids power concentration. Consequently, this undermines the rise of a charismatic leader but not the question of leadership. In addition to this, in Assembly, Hardt and Negri (2017) bring in a third argument, that combines the lack of leadership with a strong organisational body, in which the strategy is based on polycentric decision-making and the leadership is both temporary and practical and therefore the movement is more resilient to oppression. This really resonates with the experience of my practice. Commoners are searching through practice how to build organisational bodies. Inspired by nature ecosystems and old and new forms of governance experiments are taking place in local communities. My observation includes not only the internal need to question centralised power and the need for an organisational hybrid body, but also the various ways disempowerment strategies are built. Open protocols of governance become a way to build resilience and panarchical structures of organisations. 

LV: Michel, you propose ‘distributed power’, which can also be understood as distributed leadership, as an alternative to ‘horizontal power’. Evi, you rather advocate for ‘unconsolidated power’, i.e. power that is not consolidated in one or a few leaders, but that is structured through consent decision-making processes, such as Sociocracy 3.0. If I understand correctly, a parallel in your lines of thought is that you both believe in inclusive democracy, where, ideally, all voices are heard, or, to put it in the words of Donna Haraway, ‘articulated’. How can we structure truly inclusive democracy? 

MB: Evi’s concerns about the dangers of power concentration are entirely legitimate, and a lot of experimentation will be needed to get this right. We need democratic forms that are inclusive, but at the same time they must also lead to effective action. Besides ‘ailing representative democracy’23, there are a lot of other new forms of democracy that are evolving in the experimental communities: ‘participatory’, ‘deliberative’, ‘lottery-based’, ‘liquid feedback’ and more. My own contribution to this debate is the concept of ‘contributive democracy’, where people obtain a voice through contribution. This works in peer production communities, but was also the principle that governed mobilisations such as Occupy and 15M. In this context, the role of common good institutions, which I mentioned before, is to stimulate ‘commons of capabilities’, which ensure that every member of the population has contributory capabilities.

ES: Yes, indeed, in many self-organised communities decision-making and accompanied power dynamics are not discussed, where this is actually very decisive. To understand the power and leadership dynamics we have to question: who is a member, who is excluded, and how is the governance of these communities structured? Who may/can speak and whose voice is not being heard? In the case of contributive democracy: is contribution voluntary or monetised. Is it open to choice? And how is that contribution measured and validated into a voice? 

In many of these communities, from citizen participation initiatives to pseudo unions, a shared goal, obtained by consensus, is the value-driven legitimation of existence subscribed by members of the community that are represented by the spokespeople of the group. The next step towards representation is to form a legal entity, which is submitted to a legal framework that has a hierarchical character. These entities are then encouraged to partner up with the market or the state in order to get, for example, state support or sponsorship. This legitimation gives them the responsibility to represent the political voice of a group, which gives them a major responsibility to be inclusive. When the need of a transparent and unconsolidated power is not taken into account the result is a pseudo or anti-democracy, which, I believe, is an extremely harmful tendency that can lead to exclusion and concentration of power and resources. And I must say, I see that happening in a lot of initiatives today.

So is there a way to make all unarticulated voices equally heard, and can entities become hybrid, in order to obstruct power consolidation and to ensure that the system stays adaptive and resilient in a non-violent and safe way? On a political level, the most important lesson here might be to recognise agonistic pluralism, a radical democracy in which differentiation is as important as unification and conflicts don’t necessarily have to end in consensus to be democratic. Chantal Mouffe24 adds the aspect of ‘mutual admiration’ as a key ingredient. I believe now is the time to start practising our ability to admire. 

MB: So, as I indicated above, rather than ‘leaderlessness’, we should perhaps advocate ‘leaderfullness’, i.e. distributed leadership. This means that people can take their responsibility, but that there are also mechanisms in place to remove these people from power, when the confidence of the community is damaged. I think this is what open source organisations show us: open source leadership is an interesting innovation, because it is definitely a hierarchy, but not a command hierarchy. It is a ‘control’ hierarchy, based on recognised merit and with ‘forking’25 (i.e. the capacity to use the same source code for a new project) as the ultimate balance against the abuse of power, along with many other innovative techniques for the distribution of power.26 They can say ‘no’ to any contribution, based on quality reasonings, but they cannot interdict anyone to work on their preferred solutions. Unlike capitalist power, this is not a power of sabotage. It’s ‘power-with’ rather than ‘power-over’. I think we should start from the question: is the power appropriately distributed, according to the principles of subsidiarity, which states that decision-making should take place at the ‘lowest appropriate level’? That appropriate level is itself subject to democratic decision. There is no escape from that circularity, this is what founding charters and constitutions are for.

ES: That is an interesting perspective on democracy, Michel. From the makers’ movement point of view, the organisational dynamics of open source development and the success of open hardware has always fascinated me. It is very enlightening that you see forking in the context of power, because from a market(ing) perspective it is perceived as a failure of not keeping control, a form of competition you create yourself, disloyalty of the brand, or even theft of ideas. Ten years ago one of our makers made an open source milling machine. This was our first encounter with the economic model of open hardware. Only two of the open hardware developed back then were a success: arduino and makerbot, and later also Ultimaker. The machines were open sourced at a very early stage. In no time, other machines, often improved, were developed and we lost control over the development in terms of quality and values. The same happened and is still happening with MASK ADAM. Members of open source communities all know the moment when their contribution ‘vaporises’. Surprisingly, this didn’t happen with Arduino nor Ultimaker. Ultimaker adjusted to the market logic and took over the R&D from the community. Arduino was different. It defied the market logic. Texas Instruments (TI) created the ‘launchpad’ to kill the Arduino and capture that market. It was one third of the price. They produced the chip as well as the board, so they did not have to rely on the existing supply. It failed, not because of Arduino’s customer loyalty, but because customers had created and ‘owned’ what actually constitutes the Arduino value: its massive code commons.27 However, maybe the unconsolidated power of the vaporised research and prototyping contributions into commons is the real power that drives change in today’s knowledge economy. Maybe not consolidation, but vaporising into plasma IS the ultimate state of matter? 

LV: That is definitely an interesting insight, Evi. Could you maybe elaborate a bit further on this ‘state of plasma’? And can you give a specific example? 

ES: Open source or open-ended technology and production can shift the question of ownership to the creation of commons. Which also shifts competition to contribution and labour to care and maintenance. This shift turns around the concept of consolidation and the urge for humans to state and own to the ultimate goal to vaporise. Maybe a philosophical question, but let’s try to imagine the impact on material and social production. Together with the sprinters – a group of internationally based artists who reflect on aspects of commoning through artistic practice – we at Timelab decided to prototype a new form of residencies from the perspective of ‘maintenance’. We started to define the concept of resources as the residue of (cultural) creations and interactions in an undefined endless accumulation, without extraction. There is no hierarchy within the interactions. There is no measurement to calculate the contribution and exchange. The collaboratively built resources are shared values. This almost immediately leads to the development of another economy with more collaboration and value for the invisible social production and solidarity. As well as resources, they question curatorship, production, identity, autonomy, collaboration and mediation.

This is how it works: at their annual gathering or ‘sprint’, the current artist community outlines their concrete actions for the following year, nominates and selects new artists to take on board in the residency programme. These new artists are then introduced into the community and participate in the next year’s residency. Afterwards they participate in the annual assembly to reflect on the past year including the process and rules, thus completing the circle and making the knowledge community grow. The created value benefits for the whole group without direct allocation of resources, labour and capital. They executed important research on their role as ‘maintainers’ through care, not by producing or presenting, but by opening up their practice in the neighbourhood of Timelab as a mediator to see the invisible, hear the unheard, feel the untouched, with socio-political intentions. This project seems to be confirming the bravery of the artist stepping into the unknown, and again increasingly convincing me that artists can play an important role in the process of transition, within and through organisations and centres like Timelab.   

MB: May I refer here to the work of Alexandr Bogdanov28 and the Proletkult movement, which were active in Russia before and after the Russian Revolution of 1917. Bogdanov was convinced that the workers of Russia were not ready to lead the country, due to lack of skill. He believed that Russia needed a new institution instead. One could say that, in a way, he foreshadowed the contemporary maker movement. In his Proletkult centres he brought together workers and artists, letting them develop together skills for common governance. I feel this is still missing today, i.e. that artists see themselves as part of a broader social movement and learn how to work with commons and citizen collectives, as part of a larger ecosystem. I think the new commons-oriented cultural collectives, such as Furtherfield, Art is Open Source, Casco and, of course, Timelab, are indeed moving in that direction. This is somewhat pop spiritual theory, but, if you are familiar with the work of Laurence Taub on the Spiritual Imperative29, a book that sees history as a history of ‘caste’ struggle (and with caste interpreted as being psycho-cultural types), you could suggest that we must evolve to a new synthesis of Brahmins and workers (i.e the last caste of one long historical cycle, and the first caste of the next cycle). For me this is what the maker movement represents: it transcends the Cartesian and Taylorist division of labour30 between thinkers and makers, and creates people who design, execute/make and then reflect again on their creations. Could we envision art and culture that is embodied in this new reality?

ES: I see the artist/activist as a super competent knowledge creator; a master in developing a new vocabulary that must also be allowed to question its own institutions. I’d like to dream of collectives that incorporate the power of institutionalisation as a means to develop the articulation of unheard voices, without falling prey to the market or the state. That is how I envision the development of knowledge on the logic of the commons at Timelab and elsewhere, if we are to maintain a tradition of critical, autonomous thought. 

I think the biggest challenge for the arts will be to create hybrid entities of groups of artists and others that can develop transparent governance structures with fluid and non-consolidated power dynamics. And the biggest challenge for all of us will be to practise mutual admiration, be curious and open for unlearning and questioning what we define as our world and truth. I am hopeful when I see artist’s groups like State of the Arts (SOTA) in Belgium developing a political and social power. In their practice there is no distinction between making and thinking, there is even no definition of art as production, but rather a necessary political stance in an ongoing changing world.

LV: We started the conversation questioning if crisis is an opportunity for change towards a more inclusive society. You mentioned radical thinkers, including Ron Eglash, McKenzie Wark, Genevieve Fontaine amongst others, and gave examples and methodologies such as MASK ADAM and the Co-City protocol as attempts to grasp the dimension of a systemic transformation. Thank you both for sharing your thoughts and knowledge. Hence the conversation stays open, we could carefully conclude, it’s a challenging exercise to define power, leadership, democracy and advocacy. So, maybe to define is to limit and we have to accept horizons are constantly changing as we move.


Speculations on a Currency for the Arts

A conversation between Evi Swinnen (ES) and Will Ruddick (WR)

Originally published in Dutch in Rekto:Verso

Artists and cultural workers find themselves, now more than ever, in a vulnerable and precarious position. A lot of artists work in a project-based and flexible way, often travelling from city to city and having little income security. These are all stress factors that make them susceptible to burnout or social isolation. 

Evi Swinnen, initiator of Timelab31, wonders whether the introduction of a community currency for the arts could provide a solution for the precarious financial position of artists and cultural workers. Because perhaps the solution is not (only) providing more money, but rather a different kind of money. She enters in a dialogue with Will Ruddick, inventor and manager of the Bangla-Pesa, to find answers. The Bangla-Pesa is a Kenyan community currency that circulates in Bangladesh, an informal settlement or ‘slum’ in the town of Mombasa on the Kenyan coast.32 The Bangla-Pesa was created in 2013 and is used by more than 1,200 companies and schools in Bangladesh to this day. In fact, it is said to be the currency with the greatest impact of its kind. For example, it ensures that more children can go to school and for a longer period of time, because their parents are now able to pay their school fees. It also makes farmers less vulnerable to the effects of poor harvests.33

Could a community currency - like the Bangla-Pesa - be a way to connect commons and artists, and ensure that their precarious situation improves? And suppose we launch a community currency into the art world – what could it look like? Who could participate, what should we take into account and what impact would this have?

ES: Will, how did you introduce the Bangla-Pesa? How exactly does it work?

WR: At first, we worked with paper money exclusively and with relatively small communities of users. For each village in Bangladesh we had around 100 to 150 users. They became cooperants of the platform that provided the currency. The user bought the currency at the value of the Kenyan Shilling at a rate of one to one, to use them for all kinds of local transactions. So the value of the Bangla-Pesa is the same as the Kenyan shilling, but it is not exchangeable for it. The Bangla-Pesa is a ‘voucher’ that circulates only among the community. All the vouchers together represent the community’s wealth. A special feature of the Bangla-Pesa is that it has an expiry date. At the end of the year, all users return their vouchers to their cooperative ‘bank’, where only 50% of the value is refunded. It is in the users’ best interest not to save up the vouchers but to let them circulate as much as possible. The artificial devaluation of the currency creates a collective capital built up by the users. All participating users can then decide together what will happen with this collective capital. The effect was enormous. We witnessed how this collective capital was used to invest in all kinds of local initiatives that create a common value. Think of automation, the purchase of collective installations, agricultural equipment, community facilities ... Using computer models, I was able to prove fairly quickly how the introduction of the currency contributed to a stable economy. According to the participants themselves, the currency makes them more resilient to unforeseen crisis situations such as crop failures or economic downturns.

ES: Could such a currency also be a solution to increase resilience in our international artists’ network at Timelab? How important is the local aspect?

WR: The context in which we introduced the currency was of equally strong importance. In Kenyan communities, there is a strong mistrust of existing structures.34 Corruption and political interference are widespread. The fact that citizens collectively decide on the way the profits that are generated by the Bangla-Pesa are redistributed gave them more confidence in that currency and people also believed in its purpose: to strengthen the local economy and make people less susceptible to external crises. Even more importantly than the aspect of locality are the motivation and the common purpose of the users. If this motivation and purpose are there, even an international network can benefit from a common community currency. Admittedly, I’m thinking of a digital version here.

ES: How do you make such a currency digital?

WR: We connected the Bangla-Pesa system to the blockchain technology via the low-tech Unstructured Supplementary Service Data (USSD) technology that is available on every mobile phone. In fact, Kenya is experiencing a strong rise in mobile telecom services where call credits are forwarded to each other or taken back. Our Kenyan currency is itself a pioneer in linking blockchain to mobile telephony. Thanks to this link, it is now possible to trade the community currency between different communities or better control the tax and exchange rates in order to build the common capital. Digitally, fewer vouchers are lost too.

ES:  You guarantee an equal counter-value for the currency. How exactly does that work?

WR: We work with so-called collateral funds. These are funds in Kenyan Shilling, which the ‘Bangla-Pesabank’ receives and against which community vouchers are issued. The Bangla-Pesa therefore has the unique characteristic that it is directly linked to the existing monetary system. Many other community currencies peter out, specifically because they cannot be exchanged for the prevalent official currency. With the Bangla-Pesa, on the other hand, we see not only an increase in the number of transactions, but also more confidence among users: they can always imagine the value behind the currency, even if there is a variable exchange rate.

ES: Could you compare such a collateral fund with a subsidy? Where does that money come from?

WR: This is the way it works: organisations, individuals or groups deposit Kenyan Shillings in the collateral fund. These are often subsidies or donations for a specific purpose, such as the construction of a well, a grain mill, a school, community services or infrastructure. The entities that contribute the money are called hubs. They also guarantee the execution of the assignment, but then use the Bangla-Pesa as their currency. This may seem like a detour, but with the conversion from Shilling to Bangla-Pesa we do something special: we double the value. For example: there is a 100 Kenyan Shilling subsidy granted for the construction of a grain mill. That money goes into the collateral fund. That fund then spends 200 Bangla-Pesa to carry out that order. Those who help build the mill are paid in Bangla-Pesa, which results in more Bangla-Pesa coming into circulation. As a result, more other transactions take place, which in turn has a positive effect on the turnover and thus on the community. So: the hubs lend their subsidy money to the Bangla-Pesabank and in exchange receive double the value to set up transactions within the community.

ES: What if everyone wants to exchange their currency at the same time?

WR: Agreements have been made about this, so that the vouchers are exchanged in phases for the prevailing currency. Different types of users have different rights. An ordinary user who has purchased or acquired vouchers through labour can only exchange a certain percentage of the vouchers within a certain period of time. For example, a maximum of 10% at one time. But there are also hubs that receive a lot of vouchers, more than they spend themselves. For example, the hubs that offer community services can ‘cash in’ a higher amount than the ordinary user, but never more than 50%.

ES: Can we translate this principle into an artistic context? Suppose we replace the hubs with artists or collectives who receive subsidies: if they deposit their budget in a cooperative bank and receive double that amount in community currency, would that increase the turnover within the group?

WR: Yes, that seems like a similar situation to me. That would increase the cooperation and exchange within that group remarkably. After all, it is quicker to approach a cooperator than to buy external services and products. Visitors could also use the currency to enjoy the range that these hubs offer to artists. In this way, this art currency automatically becomes more than just an economic bargaining chip: it also has a social value.

ES: Another striking principle with the Bangla-Pesa is that there is no ‘one-size-fits-all’ price, as is the case with Timebanking, where one hour’s work is always equal to one hour’s work. In the case of the Bangla-Pesa, the price is mutually agreed upon and can therefore vary greatly.

WR: Indeed, the price is determined on the basis of a negotiation between both parties. Of course, the supplier cannot simply ask what he or she wants. There is still a principle of supply and demand. But what is traded is much more varied than in the regular currency. This has to do with the pressure we put on users to carry out many transactions, via taxes and built-in inflation. When it is more interesting to circulate the currency than to keep track of it, there is incentive to spend money and to value services and products that were previously ‘un(der)valued’ more quickly.35 

ES: I find the latter particularly fascinating. Artists could appreciate each other better with such a currency for support, accommodation, feedback, peer-coaching and many other things that don’t always have a price. And what if we let those involved appreciate the mutual exchange services between artists and art organisations themselves? Take the former residents of Timelab – we call them Sprinters – who often, even after many years, are still strongly involved in our work. Such a currency would enable us to better define and appreciate their role and contribution. For example, new residents, or we ourselves, could pay them for their role as buddies. In this way, the artists’ group ensures continuity in the artistic programme and they can receive a payment for it in vouchers, which they can then exchange or re-issue. I find that incredibly interesting, because it replaces the central control in an organisation's programme with a decentralised ‘peer culture’. Especially in a commons-environment this seems absolutely necessary to me. The current arts sector may find this a mockery of the classic role of the curator or programmer, but one system does not have to exclude the other.

WR:  It is indeed important to leave as much control as possible to the group itself. In this way, the users of the Bangla-Pesa also decide for themselves how high the taxes and inflation are. In exchange for a transaction currency that makes local trade more resilient, they decide together to transfer a percentage of their individual capital to the common good.36 In this way, in addition to their own interests, they also recognise the collective fund and are involved in how it is spent.

ES: It seems to me that there are some conditions that need to be met. There has to be a strong collective feeling and each member must be convinced that the tax generates a greater profit than the money they put into the fund themselves. Are we ready for this in Global North society?

WR: This transfer into the fund is about very small percentages. Surely we also accept taxes and interest? The difference is that, with our community currency, the users themselves decide what to do with it. In fact, there are two forms of surcharge. If you don’t use the currency for too long, we levy a ‘holding tax’: roughly 1% for every week that the currency is not in circulation. In addition, we create inflation by adding extra currency to each new external contribution to the collateral fund. The proceeds end up in a collective fund, which therefore grows with time and as more transactions take place.

ES: I recently heard about the local Chiemgauer currency in Bavaria, which is passed around three times more often than the euro. This also means three times more turnover in the local economy than trade in euro. If you link a tax or inflation to this high frequency of transactions, you can quickly build up considerable collective capital. Should such a currency always be organised around a common project? 

WR: Yes, I think so. If the collective capital has a clear objective, it is also easier to organise the bilateral fund around specific projects. That is why we limit the groups of participants to 150 in the case of the paper currency and to 450 in the case of the digital currency. After all, with larger groups, it is much more difficult to achieve a common objective. Nevertheless, it is possible to develop different currencies side by side and then connect them to each other. We do this via the blockchain exchange rate.

ES: How do you organise the central ‘moment’ when the vouchers expire and return to the bank for that digital currency? How do digital communities decide what happens to the common capital?

WR: Anyone who buys the digital currency can help decide on the common capital by means of a ‘recommendation’. Depending on your number of vouchers and transactions, you get a certain number of votes or ‘tokens’ and you can choose who you want to nominate for a possible capital injection, loan or subsidy.

ES: Could you also translate this into an additional assessment of project files in the arts? Suppose that each user receives a number of votes based on the frequency of transactions with the art currency. The user could then use these votes or tokens to recommend actors from the field for subsidies from the collective fund. This is another form of peer reviewing in addition to regular committee work. But how do you get consensus on this? How will a group of artists and art organisations arrive at a common project?

WR: You can indeed ask yourself whether the identity of a group of individual artists is strong enough to appreciate the collective benefit of an investment – especially when these artists do not live in each other’s neighbourhoods or do not have a common project. The Bangla-Pesa is particularly successful in a local rural context, with a fairly fixed group of users. We have already noticed that it is less successful in larger villages or slums. This search for a common interest therefore seems crucial to me. That’s why it’s best to keep the groups relatively small and to look for a way to set up different currencies and then connect them via blockchain and exchange rates. As long as people and organisations endorse only one collective goal, everyone can make use of the currency and thus participate in decision-making. But perhaps your shared cultural infrastructure in Timelab in Ghent is a good pilot project, in which the artist, together with other users, decides on possible improvements and changes? The group of users does not necessarily have to be closed. As long as people and organisations endorse only one collective goal, in principle everyone can make use of the currency and thus participate in decision-making. These people can buy currency to use them in the local system, and then later cash them in whenever they want. This will ensure that it remains a local project, even if the operation and the users are partly international and nomadic.

ES: An infrastructure is indeed something very tangible. The users of this infrastructure automatically see the shared goal. Suppose you manage that infrastructure with a cooperative company and attract several cooperatives who will use the building: arts organisations, associations, other providers of ‘common goods’... That is what we did with NEST: a temporary filling in of the old city library in Ghent. The organisational model was based on the commons. More than 150 initiatives organised more than 1,000 events in the space of eight months. And what if that cooperative society were to issue a currency as a counterpart to the contribution of project-based resources that the cooperatives bring with them? This is how it could work out: a collective of artists (a hub) receives project subsidies in euros and takes the shared infrastructure as its field of action. These subsidies are (partially) transferred to the cooperative company (the collateral fund) of which the hub is a co-shareholder. The hub receives a double counter-value in transaction vouchers, which in turn enables it to achieve the project’s objectives by not only looking for employees, but also services and products in the neighbourhood and within the network of the currency’s users. What is achieved together, however, must clearly serve the general interest. Voucher-holders can benefit from these common goods or offers, provided that they pay in the transaction currency. In this way, the collective collects currency, which they can eventually exchange back for euros. In figures: if the hub brings in 100 euros, this will pay out 200 vouchers, or coins, which will be spent on the realisation of the project. The project itself provides an extra 50 vouchers. The hub will exchange those 50 vouchers again and get another 25 euros in return.

WR: And in the meantime, 150 of those 200 issued vouchers are in circulation. If they are not sufficiently used, they contribute to the collective fund. And if they do circulate, they increase the turnover of the local trade exponentially.

ES: But then the crucial question is: what could be the effect of this on the individual artist and his/her resilience and livelihood? Would it be comparable to the impact of the Bangla-Pesa? This currency appears to make many users stronger because it creates a kind of safety net that makes them less vulnerable to external factors. By reinvesting the profit in the community, all kinds of risks are reduced. Even for the most precarious groups of people. That’s how the community currency becomes a form of (social) insurance, isn’t it? This instantly reminds me of the Dutch Bread Funds37, in which uninsured self-employed people support each other by jointly constructing capital for unforeseen circumstances such as accidents at work or illness.

WR: The Bangla-Pesa is indeed a kind of insurance that offers individuals a safety net to fall back on when necessary. However, it’s not only meant for sudden setbacks. It can also support people when they are in need of moments for introspection, reflection and reorientation. In the artistic context, it can provide room to breathe for the artist.

ES: Do you think it would also be possible to provide a basic income by means of a community currency?

WR: For a basic income, you need funds that guarantee that basic income. If these are subsidies or other homogeneous flows of money and they disappear, your entire basic income disappears. That risk is at odds with the principle of a guaranteed income. That is the Achilles heel of the concept. Because you need a substantial amount of collective capital to provide a basic income, we define projects that are executed with the Bangla-Pesa. This mechanism magnifies the accumulation of collective capital in an exponential way, which could then be used for redistribution into a basic income. But you do indeed need a high frequency of circulation to ensure enough collective capital. 

ES: A stable basic income for a large group would require a lot of transactions, or you have to limit the right-holders. And then there is the question of who decides what. If you link different currencies and thus different collective funds, could that theoretically succeed? Only then you might lose one of the most important added values ​​of the currency: that you decide on collective funds together. And the exchange rate also plays a role. Because in the end, the recipient of that basic income will want to exchange those vouchers back for the euro. How is the exchange rate actually determined?

WR: This is done on the basis of a Smart Contract, for which we designed the ‘Bancor Protocol’. If you like, you could consider it as a reliable, non-corruptible and fully automatic broker. The Smart Contract has a piece of code in a blockchain that serves as a form of security.

ES: What I understand from your explanation is that this currency mainly strengthens the relationships between people and not their individual wealth or poverty. I spend my vouchers on those who make a valuable contribution for me, even if that was not agreed in advance or if there is no clear exchange or supply and demand. That kind of appreciation has been completely lost in our monetary system. The euro coin symbolises my possessions and the power associated with it. Interest rates dictate if I should hoard or lend. An art currency based on the Bangla-Pesa system could make the relationship and transaction between people much more visible, thus helping to improve their cooperation and understanding. And even increase it by the frequency of the currency usage, in order to build up the common capital that we, as a group, possess. This is how I see the function of the currency at its best: within a group with the same shared project, possibly in a network of different currencies, instead of as a shopping currency between the art-loving and the art-producing partners. I also see this shared connection in the economy of the commons: it increases the resilience of the commoners by a contribution from each according to his or her own ability, instead of by scarcity, ownership and competition. Will, shouldn’t we at least try? We determine from which group and for which common purpose a currency is desirable, we agree on the tax and exchange rate and then we set up an online platform.

WR: It’s true that there’s no other option than to test it. That’s how we did it and still do it: a lot of experimenting and learning on the go. There are plenty of platforms that can be used immediately. I’m thinking not only of community forge or community exchange, but also of Muntuit, the organisation in Belgium that offers knowledge in the field of community coins. Start small and concrete and then build up further. And keep me informed!

ES: This exercise of translating the Bangla-Pesa into a currency for the arts opened up the contextual aspects of a currency (the African community context versus the international artists context). It made me realise that it doesn’t really matter how we set up the architecture, but that we have to understand first how the internal mechanisms of monetary systems work. The knowledge that we create money by using money and that we can collectively own the profits opens up the possibility to organise the knowledge for a particular end: for a fair redistribution of capital, at least for our daily transactions within a community. 


Geprinte solidariteit bij Timelab

Het is hoopgevend en ronduit hartverwarmend dat in crisistijden als deze er heel wat solidariteit ontstaat in heel wat sectoren die op het eerste zicht niets met de medische sector te maken hebben. Ook vanuit de kunstenorganisatie Timelab klinkt een solidaire oproep om massaal mondmaskers te gaan… printen jawel.

Voor wie nog niet van Timelab gehoord zou hebben, de hoogste tijd om toch even kennis te maken met deze hoogst innovatieve, creatieve en boeiende kunstenorganisatie voor praktijkonderzoeken in stedelijke context. Timelab is hier in Vlaanderen ontstaan en wil aan kunstenaars van het binnen –en buitenland een interessante hub aanbieden, een plaats waar zij hun creatief ei kwijt kunnen en naar hartenlust kunnen experimenteren.

Maar vergis u niet, Timelab is veel meer dan gewoon ‘een locatie’. Het belichaamt meer een hotspot van allerlei cross-over activiteiten en samenwerkingen. Naast kunstenaars hebben ook innovatieve en creatieve ondernemers, bij Timelab ‘makers’ genoemd, en zelfs wetenschappers er hun plaats. Verschillende disciplines komen zo samen om van elkaar te leren, te experimenteren en bruggen te slaan tussen elkaar. Timelab vormt zo de hybride vorm van een incubator, een leerplatform en een sociale hub.

De activiteiten die je er vindt, zijn dan ook veelvuldig: sociale projecten, co-creatie projecten, design en ga zo maar voort. Samen worden ze aangespoord om zich te buigen over thema’s zoals “levensonderhoud, autonomie, stadsontwikkeling, diversiteit, open kennis, nieuwe economie, waardering, commons, vermogen en gelijkwaardigheid.

Ook Timelab is niet blind voor de perikelen in de gezondheidszorg en dan vooral het ontbreken van mondmaskers. Daarom kwamen zij op de proppen met het idee om mondmaskers te gaan printen met 3D-printers. Het idee is ontstaan zowel bij mensen van binnen als buiten Timelab. Dat is juist het mooie van dit project ook, dat een hele groep mensen zijn schouders onder een project wil steken, dat de maatschappij ten goede komt.  Onder het concept ‘Adam Just Breathe’ lanceerden zij een oproep naar iedereen in Vlaanderen met één of meerdere 3D-printers om massaal mondmaskers te gaan printen.

Voor het ontwerp en alles wat je nodig hebt bij het printen van mondmaskers kan men terecht op Mask Adam. Dit is een deel van het netwerk van makers die bezig zijn met open source oplossingen voor bescherming van zowel medisch personeel als burgers. Speciaal aan dit model is dat het open is voor iedereen en aangepast kan worden aan de vorm van je gezicht en de beschikbare materialen. Met andere woorden: het model is geschikt voor iedereen én beschikbaar voor iedereen. Print jij zo ook binnenkort je eerste masker uit?

Auteur: Gaëtan Rubbrecht

Bron: geschreven voor en oorspronkelijk gepubliceerd op de website van febecoop

 


Reflection: Onderhoud Commoning Residency Prototype 2019

by Cliona Harmey

INTRODUCTION: This adaptation and expansion of a presentation I made at the Sprint includes a small number of definitions and quotations.[1] Some of the definitions draw on radio/communications terms others come from two recommended texts and also the p2p foundation. The presentation reflects on “commoning” in relation to artistic practice as experienced during the 2019 Proto-Typing Residency at Timelab / De Schuur Ghent.

During the residency we engaged in a series of under the radar "minor gestures"[2] as a way of engaging with the immediate neighbourhood and streets around Timelab / De Schuur. These minor gestures were used as a way of gently laying the groundwork for future residents/projects. As a "motley crew" of commoners we agreed to come together under the umbrella term of the Dutch word "Onderhoud" which means both maintenance, support/repair of individuals and things. It also bares the meaning of a serious conversation.

 The local farmers market was the locus for the more a visible of these minor gestures, through a series of activities such as conversation, sketching, soup making, interventions/games, after school pancakes and hyperlocale radio broadcasts using "Radio Onderhoud".

 

 

WAITING - Part of the work of being a resident was literally allowing for free form/open time and waiting for a connection or way to join forces. This was an active waiting: trying to tune in to each other and to find the connection that would enable a meaningful engagement for us around the activation of commoning. This work solidified initially around ideas of the minor gesture[3].

CHANNELS - Multiple different frequencies running at the same time, sometimes overlapping and sometimes staying separate, sometimes connected…

TEMPOS - People have very different conceptions of time and like to work at very different speeds. That is their pace, their rate or speed of motion or activity. These different time signatures or conceptions of time need very clear negotiation in relation to both commoning and/or co-creation.

FREQUENCIES - People function at different frequencies and speeds, some are in sync, some are out of sync. Frequencies combine in different ways, and tune in and out of each other sometimes causing harmonics, distortions and occasional blocks. Frequency in terms of iteration and sequencing.

AIRTIME - who’s on, who's off, who speaks, who listens…

We used some systems for managing in person communication – a card on the table when you want to speak..further experiments with decision making tools would be important for future residents.

SILENCE - taking time to sense and give attention to the (more) silent channels in the group. Realising that people process information at different speeds and some need more (introspective) time before speaking aloud or taking action.

LISTEN - We tried hard to listen and not talk over each other. We really needed to learn how to listen, to give attention.

CARRIER - A person or thing that carries, holds, or conveys something. It can also be used to describe a blank channel used as an aid to transmitting a message. It could also relate to invisible labour and the minor acts of maintenance & care that carry things forward. These are often the most imperceptible.

SIGNAL - a gesture, image, action, or sound (not necessarily verbal) used to convey a message.

WAVE - the signal or salute of a hand as you pass on the street or the invisible radio wave which carries a message.

WEAVE - the combination of multiple strands to make a complex story, pattern or movement.

WEFT - through our combined trajectories in the neigbourhood we wove visible and invisible lines. These were generated by presence, greetings and making everyday connections, crossing thresholds, engaging in conversations and asking questions .

LOCUS - the place where something happens, the weekly LOCAL Boer’n buurtmarkt

(farmers and neighbourhood market) was a place for more a visible presence, through minor activations such as conversation, a game, making of food (soup), and our fugitive broadcast.

FUGITIVE
Lasting only a short time/fleeting. While a minor event may be fugitive & non-spectacular its resonance may last much longer and it may lay the groundwork for future work where something more involved, profound or longer lasting can be achieved.

MINOR
Working in a minor key was in no way accidental, the minor key whilst risky because of its precarity and invisibility, also "has a mobility not given to the major: its rhythms are not controlled by a preexisting structure, but open to flux.."[4]

MEDIUM
Any form that can carry or transmit meaning.

CONFUSION
Change and artistic practices always entails a certain degree of confusion. It takes time to shift and re-think habits.

COMFUSION
We easily agreed on logistical elements and sharing of resources but it was much more difficult to reach a consensus or agreement in relation to a framework which allowed for meaningful commoning in relation to artistic practice.

NOISE
A certain amount of noise is likely and even desirable, but will add a level of confusion. There are different types of noise, such as physical noise, psychic noise, semantic noise, institutional noise.

HABITS
Long held way of doing things, "a recurrent, often unconscious pattern of behavior that is acquired through frequent repetition."[5]

HABITUS
"A system of embodied dispositions, tendencies that organize the ways in which individuals perceive the social world around them and react to it". [6] This includes shared experiences which can reproduce the existing social order but can also be thought of as a more dynamic process where adaptations and accommodations can instigate small cultural/social shifts[7].

THRESHOLDS
Threshold both as an edge activity but also as a real physical entity in space.
The crossing of physical thresholds can take different levels of effort depending on who you are[8].

“Commoning is a threshold activity. To make common is to participate in an unfolding movement for social change, with positive implications for politics, economics, and the planet"[9]

ABUNDANCE
Commoning is described as coming from a place of abundance both materially and spiritually.
The term abundance comes from the Latin ab-unda, meaning the wave, which overflows.[10]

ADVERSITY
The process of commoning is relevant in times of adversity and when resources are scarce. At time of writing, we are in a different phases of lockdown due to Coronavirus and are now more powerfully aware that each individual's welfare is part of a larger collective health. The need for a commons based approach to resources and societal change is ever more urgent.

COMMONING
"To turn a noun into a verb is not a little step and requires some daring. Especially if in doing so we do not want to obscure the importance of the noun, but simply ground it on what is, after all, life flow: there are no commons without incessant activities of commoning, of (re)producing in common. But it is through (re)production in common that communities of producers decide for themselves the norms, values and measures of things”[11].

"Each act of commoning – be it a matter of collaborative consumption, peer-to-peer production, open space technology, or democratic assembly – is an experimental contribution towards a new social and economic paradigm.”[12]

NEGOTIATION - CONSENT
The bounds of what is to be shared needs careful negotiation & consent. What level of sharing will there be? Within a commons based residency what elements need consent & negotiation? practical/logistical resources, production/non-production, the material/symbolic, creation/co-creation, the end-goal/shared dream. What elements are agreed & when do you decide ?

TUNING-MAINTENANCE-REPAIR
The relationships between a group of artistic commoners needs continual adjustment, support and care.

PROTOCOLS
Clear protocols and agreement around communication, channels, timings, practicalities are important. These can include agreed time schedules for face to face discussion, and different channels or platforms which allow for synchronous and asynchronous communication.

FACE TO FACE in person directly

SYNCHRONOUS in real-time

ASYNCHRONOUS not occurring at the same time

PLATFORMS
In the context of artistic practice, commoning and production: any form that can support pooling of content, and accommodation of multiple practices. Potential platforms include a radio channel, a chapbook, a zine, a publication, a performance, an event, a piece of software. Platforms can also include existing platforms designed to enhance collaboration and these can be open source or proprietary.

PROTOTYPING
Prototyping can take the form of experiments and putting elements in relation; that can be people, systems, organisations.
Prototyping allows for trialing, testing, versioning.
Prototyping can be low impact, iterative, extensible & future orientated![13]

STUDY
In "The Undercommons" Stefano Harney & Fred Moten describe study as "what you do with other people. It’s talking and walking around with other people, working, dancing, suffering, some irreducible convergence of all three, held under the name of speculative practice… "[14]

ONDERHOUD
We agreed that the Dutch word "onderhoud" was a good umbrella term for our investigations and neighbourhood interactions while in residence at TimeLab /De Schuur. Onderhoud implies some measure of improvement and takes in maintenance, repair, and a serious conversation. It is close in meaning to the German "Unterhaltung" or French "entretien". Onderhoud also sounds like the Dutch word ‘onderhuids’, which means ‘under the skin’;

Onderhoud the first step…..

 

Download the Onderhoud Zine

 

[1] At start of the residency period, fellow resident Einat Tuchman shared two key texts of relevance. These were the Minor Gesture by Erin Manning and the Undercommons by Fred Moten. Additional texts came from P2P foundation website.
[3] Manning, Erin, ibid
[4] Manning, Erin, ibid
[5] From The American Heritage® Dictionary of the English Language, 5th Edition. https://www.wordnik.com/words/habit
[6] Definition of "habitus" -From Marshall, Gordon, The Oxford Dictionary of Sociology, Oxford University, Press, 1998 accessed via Archive.org
A set of acquired patterns of thought, behaviour and taste, which is said by Pierre Bourdieu (Outline of Theory and Practices 1977) to constitute the link between social * structures and social practice (or social action). The concept offers a possible basis for a cultural approach to structural inequality and permits a focus on *agency. ..p 268
 [8] A discussion with Erin Manning on the different efforts involved in crossing thresholds depending on your level of privilege https://onlineopen.org/how-the-minor-moves-us-across-thresholds-socialities-and-techniques
[9] Extracted from "Some Principles of Commoning" by Tim Rayner which describes " ‘ethos’, or way of being, that underpins the practice of commoning.."
https://wiki.p2pfoundation.net/Commoning
[10] ibid
[11] Extract from Massimo De Angelis to describe "commoning": as an active verb as popularized by historian Peter Linebaugh. https://wiki.p2pfoundation.net/Commoning
[12] Extracted from "Some Principles of Commoning" by Tim Rayner which describes " ‘ethos’, or way of being, that underpins the practice of commoning.."
https://wiki.p2pfoundation.net/Commoning
[13] This description prototyping reflects some of the discussion related to the concept of prototyping at the Prototyping Residency Sprint at Timelab in mid Feb 2020
[14] p110 Harney, Stefano, Moten, Fred, The Undercommons

MASK ADAM - help flatten the curve

Go to website (EN)

Onze hulpverleners worden geconfronteerd met een nijpend tekort aan mondmaskers. We stevenen af op een ramp voor alle zorgverleners die zich vandaag blootstellen aan besmetting. Daarom onderzoeken we of we met 3D-geprinte herbruikbare maskers mee de vraag naar betrouwbare mondmaskers kunnen opvangen. Als we alle printers in Vlaanderen aan het werk zetten dan komen we al een heel eind. 

Aan alle kenniscentra, bedrijven en andere bezitters van 3D-printers: ga aan de slag! #allpowerisweakunlessunited 

Voor requirements, ontwerp en meer info : maskadam.org

Lokaal Netwerk

Mask Adam maakt deel uit van een netwerk van makers die bezig zijn met open source oplossingen voor bescherming van zowel medisch personeel als burgers.

maskadam.org maakt 3D print reusable maskers met FFP2 filter : contact Evi Swinnen

Makers against corona maakt shields : contact: Stijn De Mil

Universiteit Antwerpen maakt mondmaskers : contact Prof Jouke Verlinden

Maasmechelen, campus De Helix maakt shields : contact Edwin Biesmans

Maakjemondmasker.be geeft patronen om mondmaskers te naaien : contact Lien De Ruyck

Edugo Campus Glorieux, Oostakker maakt shields en deurknoppen : contact Hans Ysebaert

Bescherming voor Helden : contact Stijn Rommens

Fablab BXL heeft een beademingsmachine - noodtoestel : contact Lieven Standaert

Internationaal Netwerk

https://coronavirustechhandbook.com/

OSCMS Masks

P2P foundation

En wat na corona?

heb je een droom over hoe de wereld er na corona uit ziet? deel, maak, bouw mee op Post Coronamovement


Timelab en De Schuur: evenwichtsoefeningen om richting een productieve en duurzame stad te evolueren

Timelab en De Schuur: evenwichtsoefeningen om richting een productieve en duurzame stad te evolueren

De Schuur is in ruimtelijke zin een gebouw van 1800 vierkante meter dat zich op 200 meter van station Gent-Dampoort bevindt, en in culturele zin een project van de Gentse kunstenorganisatie Timelab vzw dat “wil inspireren, positieve (inter)actie uitlokken, en ruimte maken voor concrete experimenten.” Het project ontstond in 2017 als een van de vijf Terug in Omloop pilootprojecten van de Vlaamse Bouwmeester, die de mogelijkheden van stadsontwikkeling, brownfields en wijkwerk onderzoeken om richting een productieve en duurzame stad te evolueren. In dit artikel bespreken we op welke manier(en) Timelab en De Schuur proberen bijdragen aan die ambities.  

Ruimte, materialen en mensen ‘Terug in Omloop’ brengen 

Zoals hierboven al vermeld, is De Schuur een van de Terug in Omloop pilootprojecten van de Vlaamse Bouwmeester. Ann Eijkelenburg, OVAM-coördinator van het project, verwoord Terug in Omloop als “een complex project waarbij verschillende maatschappelijke uitdagingen aan elkaar worden verbonden.” Concreet wordt er nagegaan op welke manier de talrijke ‘brownfields’ in Vlaanderen - vervuilde en onderbenutte terreinen die vaak in en rond stedelijke gebieden liggen - een nieuwe, toekomstbestendige en circulaire bestemming kunnen krijgen. Naast het hergebruiken en opwaarderen van bestaande ruimte, wordt er ook aandacht besteed aan hoe het gebruik van ‘greenfields’ ontmoedigd kan worden en hoe er zuinig omgesprongen kan worden met grondstoffen en materialen. Tot slot is het ook de bedoeling dat de buurtbewoners zoveel mogelijk betrokken worden bij de pilootprojecten: deels om een collectief draagvlak te creëren en zo de projecten duurzaam te maken, maar ook omdat Terug in Omloop met hun stedenbeleid de afstand tussen ‘wonen en werken’ en ‘productie en consumptie’ zo klein mogelijk wil maken.

Na een open oproep in 2015 werd een voorstel van Timelab geselecteerd als een van de pilootprojecten. De opzet was “een labo in de pure zin van het woord, een experimenteerplek voor innovatieve circulaire bouwconcepten, veranderingsgericht en flexibel bouwen en trage sanering.” Voor dat ‘stadslabo’, dat door Timelab De Schuur werd gedoopt, had de Gentse organisatie een brownfield op het oog in de buurt van station Gent-Dampoort: een voormalige opslagplaats in de Kogelstraat. In 2017 verhuisde Timelab van hun toenmalige adres in de Brusselsepoortstraat naar het nieuwe pand, dat ze nu gevat definiëren als “een vrije ruimte, een opslagplaats voor barre tijden, een schurende plek in de stad.” Na een ontwikkelingsfase van twee jaar, gingen in het najaar van 2019 de sanerings- en renovatiewerken van start die de verontreinigde bodem zullen zuiveren en het volledige pand ter beschikking zullen stellen. De geschatte einddatum van de eerste fase van de ontwikkeling van de site is juni 2020. 

Stadslabo De Schuur

Waar Timelab vroeger vooral omschreven kon worden als een fab lab of ‘makerslabo’ (een coöperatieve werkplaats voor makers en uitvinders, het eerste overigens in België), wil het vandaag veel meer zijn dan enkel dat. Daarom ontwikkelden ze in 2015 het concept van De Schuur, een overkoepelend project waarin er concreet gezocht wordt naar een “andere manier van werken, leven, bouwen, maken en produceren in de Stad.” Binnen De Schuur is er plaats voor verschillende ‘entiteiten’, zoals Timelab ze noemt: labo’s (experimentele open labo’s, zoals het reeds bestaande Makerslab of het jongere Textiellab, aangevuld met nieuwe lokale productielabo’s, zoals Waterlab, Energielab of Materialenlab), een burenwerking (Buren van De Schuur), enkele losstaande projecten (Commons Residency, School of Commons,...) en een co-working café. Daarnaast heeft het stadslabo uiteraard ook de nodige infrastructuur ter beschikking, zoals 3D-printers en textielmachines. De centrale idee is dat de entiteiten, met de steun en coaching van Timelab, zo autonoom mogelijk opereren en dat ze onderling worden verbonden door “een gedeelde droom, circulaire energiestromen en tal van onderlinge uitwisseling.” Door de werken vinden de lab-activiteiten en de projecten momenteel enkel in de voorste ruimte van het pand plaats en is het coworking café tijdelijk gesloten. 

Belangrijk om te benadrukken is dus dat De Schuur voor het merendeel een open stadslabo is. Concreet wil dit zeggen dat iedereen die kritisch wilt nadenken over maatschappelijke vraagstukken én daar tastbare oplossingen voor wilt creëren - van (jonge) makers en kunstenaars tot freelancers en buren - welkom is in de open labo’s om aan projecten te werken en daarbij gebruik te maken van de infrastructuur. Evi Swinnen, coördinator van Timelab, is van mening dat dit systeem vaak interessante kruisbestuivingen en feedback oplevert: “Het gebeurt regelmatig dat iemand die hier aan onze werktafel bezig is met een project en bij de omzittenden even naar hun mening peilt. Die feedback krijg je thuis, in je eentje, natuurlijk niet.”

De ondersteunende en coachende rol van Timelab

Timelab definiëren, de beheerder en facilitator van De Schuur, is een minder gemakkelijke opdracht: definiëren betekent immers limiteren. Hun werking kan sinds de verhuis misschien nog het best omschreven worden als een voortdurend experiment, waarbij ze aan de hand van verbeeldingskracht, zelfreflectie en concrete acties bouwen aan het vertrouwen in nieuwe werkvormen, als bakens voor een gedeelde toekomst. Ze zoeken met andere woorden, samen met makers en kunstenaars, naar betere systemen, methodes en samenlevingsvormen en meten zich in die zoektocht een coachende en ondersteunende rol aan. 

Begrippen als ‘open source’, ‘open einde’ en ‘commons’ spelen in deze filosofie en werkwijze een belangrijke rol. Binnen de open source beweging zijn digitale data voor iedereen beschikbaar, wat, aldus Swinnen, leidt tot “een duurzaam systeem: iets is van niemand, en dus van iedereen. Bovendien draagt iedereen op zijn eigen manier een steentje bij aan het systeem. Die dynamiek wilden we vertalen naar een werkomgeving.” Open einde is dan weer belangrijk in het kader van continuïteit: de bedoeling is namelijk dat de entiteiten in De Schuur zelfstandig, zonder de ondersteuning van Timelab, kunnen voortbestaan. In de geest van de commons, tot slot, onderzoekt Timelab hoe ze de handen ineen kunnen slaan om aan een betere, duurzame toekomst te bouwen. De organisatie vertrekt daarbij vanuit een horizontale, ‘bottom-up’ structuur die ze in elk van haar projecten probeert te vertalen. Een goed voorbeeld op micro-niveau is het reeds vernoemde Makerslab, waarin Timelab en de makers de uitdaging aangaan om naast de fysieke ruimte ook het beheer, de planning van de activiteiten en de communicatie te delen. Op macro-niveau experimenteert Timelab met een gedeeld eigendomsmodel voor De Schuur, waarin het beheer van het pand verdeeld wordt onder gelijkwaardige organisaties. Momenteel deelt Timelab De Schuur met partnerorganisaties Stadslabo cvba (een cvba die ontstond in het kader van NEST), Muntuit vzw en P2P foundation vzw. 

Richting een productieve en duurzame stad

Tot nu toe is het belang van het ‘circulaire’ en het ‘duurzame’ al een paar keer naar voren geschoven. Zoals we al aanhaalden, bevindt De Schuur zich op een brownfield die onder andere dankzij Terug in Omloop gesaneerd wordt en bijgevolg een nieuwe, circulaire en duurzame invulling krijgt. Verder experimenteren Timelab en De Schuur met nieuwe circulaire systemen, waarin ze de omslag proberen maken van een ‘lineaire’ naar een ‘circulaire economie’, en delen ze hun kennis volgens het Open Source systeem. Onder een circulaire economie, of kringloopeconomie, verstaan we overigens een “systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat.” 

Om af te sluiten halen we nog twee ‘schurende’ voorbeelden aan waarin deze kringloop duidelijk naar voren komt: het Materialenlab en het Waterlab. Binnen het Materialenlab gaan de makers namelijk op zoek naar “circulaire materialen en technieken voor lokale productie, verwerking en hergebruik.” Een specifiek project waaraan er momenteel gewerkt wordt is Knotplex: een vezelplaat die gemaakt is op basis van de Japanse Duizendknoop, een invasieve plant die schadelijk is voor onze infrastructuur en ecosystemen. Ze geven de plant, die anders verbrand zou worden, een circulaire bestemming en kunnen de platen lokaal gebruiken in de verschillende labo’s. Binnen het Waterlab wordt er dan weer nagedacht over de waarde en de (over)consumptie van water en worden er modellen ontworpen om, zowel binnen het pand van De Schuur als in de buurt, water op te vangen voor hergebruik. Op hun website benadrukt Timelab dat het vooral die voorbeelden zijn, de lokale initiatieven en projecten die binnen de muren van De Schuur ontwikkeld worden en gaandeweg groeien, die bijdragen aan “de zachte globale beweging naar een positieve, productieve en duurzame stad.” 

Laure-Anne Vermaercke (2019)


mijn brief aan de stad

11 november 2019

 

Beste Stad,

Gisterenochtend stond ik op met een zwaar hoofd. Arm Vlaanderen. Een gevoel van rouw en onbegrip. Die ongemakkelijke fase wanneer het oude nog niet dood is en het nieuwe nog niet geboren is. Los zand. Hoe veerkracht behouden wanneer je het mes op de keel krijgt? Minister Jambon besliste 60% van de projectsubsidies voor de kunsten te schrappen.

Het nieuws van de voorbije dagen beïnvloedt zonder twijfel mijn brief aan u, mijn liefste stad. Mensen noemen mij een optimistische dwarsligger, van dromer tot doener. Vandaag ben ik pessimistischer dan anders. Vlaanderen is verstikt op vele fronten. Letterlijk, maar ook figuurlijk. Verstard en verstild. Vermarkt, verkocht, verloren.

Soms verlang ik naar die interactie die mijn dagelijkse routine bruusk doorbreekt. Dat ze me wakker schudt en - al is het maar voor even - doet rondkijken, opkijken naar de wolken. Dan wil ik opnieuw verwonderd worden door het besef dat de wereld groter is dan ik en dat iedere ontmoeting een verrassing is. Dat iedere interactie bijdraagt aan dat klein beetje meer bewustwording. De kracht van kunst. Vandaag zie ik vooral asfalt wegschuiven en weinig wolken. Maar ik zou mezelf niet zijn, mocht deze onbehaaglijkheid me niet inspireren om de chaos van naderbij te bekijken.

En daarom richt ik mij tot u, mijn beminde stad.

Het fundament van de steden ligt in de vereniging van mensen die iets gemeenschappelijk wilden creëren. De middeleeuwse commoners ontvluchtten het platteland om in de stad hun gemeen, hun commons te maken. De commons is datgene wat we beschouwen als gemeenschappelijk goed en waarover we als gemeenschap zelf beschikken op de manier die wij zelf bepalen. De middeleeuwse commoners bouwden de vrije gildensteden op basis van een lokale economie die drie eeuwen lang standhield. We zien vandaag een soortgelijke vlucht, niet van het platteland naar de stad, maar naar een meer betekenisvolle bijdrage aan de samenleving. Ook al betekent dit WEG van een vast comfortabel inkomen naar een meer onzeker en kwetsbaar bestaan waarbij de zorg voor elkaar primeert en de onderlinge afhankelijkheid een keuze én meerwaarde is.

Het resultaat is dat we vandaag een gelijkaardige groei van nieuwe vormen van civieke en economische manieren van samenleven zien ontstaan. De geschiedenis herhaalt zich: de commons nemen een nieuwe vlucht wanneer staat en markt falen.

Beste Stad, Misschien zitten we in wel in een momentum van irrationele transformatie? Misschien is de eeuw van vernetwerkte steden aangebroken.

Polany spreekt over pulsaties van cycli waarbij eerst de markt zich bevrijdt van maatschappelijke plichten, en waarna dan, in een 2de fase, het volk in beweging komt om de staat te verplichten de markt weer in te bedden in de samenleving. Misschien zitten we vandaag in een historisch polanyaans moment vlak voor een nieuw systeem zich zet. En dan komt alles goed.

Echter, door globalisering zijn volk en staat vandaag niet meer sterk genoeg om het evenwicht terug te brengen. Zo ben jij, de stad, steeds meer nodig. Maar dan samen met andere steden, als netwerk, translokaal en open.

Deze analyse zet de steden in het voetlicht. Maar wat is een stad vandaag? Hoe spreekt de stad en hoe horen we ze?

Laten we beroep doen op de hacker om ons inzicht te geven in de stedelijke code?

Hackers benaderen de stad op een manier die verder gaan dan een historische, planologische of demografische lezing. Ze zien jou als een actief en complex geheel, zonder centrum en met steeds veranderende verknopingen en verdichtingen. Met een horizon die verandert naarmate je beweegt. Filosoof McKenzie Wark spreekt van het belang van de hackers class die informatie bevrijdt en code zichtbaar maakt. Hij stelt deze klasse tegenover de klasse die de infrastructuur beheert en het eigenaarschap organiseert. De hacker is autonoom en disruptief, maar zijn actie is noodzakelijk om kennis vrij en snel te verspreiden en zo beweging en zuurstof te brengen in de verstilde en verstikte samenleving.

Doorheen de jaren ontstonden steden als lagen zichtbare en onzichtbare code. Historische gebeurtenissen, politieke beslissingen, economische tendensen, individuele acties, rampen en festiviteiten. Al deze tijdsgebonden katalysatoren hebben de code geschreven die vandaag de vorm van de stad bepaalt. In die gelaagdheid begeven wij ons.

Wij, bewoners en bezoekers van de stad dragen iedere dag bij aan dat complex systeem. Door wat we doen, wie we zijn, met wie we in contact komen en door de keuzes die we maken. De stad is van mensen die door hun interactie samen de stad maken. Dat is de taal van de stad. En die laat zich niet dicteren. Zo ontstaat cultuur. Als interactie, geen transactie.

Helaas, liefste Stad, meten we vandaag vooral de waarde van transacties en vergeten we de waarde van jouw interacties.

Neem nu zonering : publiek, privaat, bestemd, te koop, onderhandelbaar. Allemaal afgebakende zones met ieder hun eigenaars. Deze zonering heeft al het gemeenschappelijke uitgeduwd en alles te koop gesteld. De commons zijn verdwenen en hiermee alle broodnodige gedeelde publieke ruimte die een basale menselijke behoefte vervult: bij een gemeenschap horen. En dat doen we, liefste stad, door gemeenschappelijke ruimte te maken.

Stel dat we inbreken op de code die van jou een reeks verhandelbare bronnen heeft gemaakt. Misschien kunnen we de code hacken zodat er terug ruimte is voor commons, nu alles is verkocht en de zuurstof is verdwenen.

Een geniaal kunstenaar schreef ooit: “Het verleden is slechts een proloog”.

Wat als we ons meer bewust zouden zijn van die verstoringen en de impact van onze interacties. Wat als we zelf bewust katalysatoren zouden worden? Met kleine acupuncturistische handelingen veranderen we al bij iedere dagelijkse keuze een stukje code. Ten goede of niet, we staan er vandaag niet bij stil. Wat als we zouden ontdekken hoe we samen olifantenpaden kunnen trekken in die code. Dit ten voordele van de leefbaarheid van onze stad, een meer balanceerde economie en een lagere belasting op onze planeet?

Misschien leren we zo hoe we het DNA van plekken in de stad zichtbaar kunnen maken en aanpassen waar nodig.

Maar waar is de verstoring van onze dagelijkse routine zodat we weer kunnen opkijken, dromen en verwonderd zijn?

Ik ken geen meer moedige mensen dan zij die vandaag in staat zijn verstorend te zijn. Zij die durven een mening te hebben. Zij die niet vastgeketend liggen aan contracten, beloftes en afspraken die hun eigen wezen in de schaal leggen. Maar ook zij die zonder actie verstorend zijn. Gewoon door wie ze zijn. Door niets te doen.

Liefste stad, open je oren, ogen en armen voor de verstoring, wees niet bang en laat je verwonderen door onverwachte interacties. Heb vertrouwen dat chaos tijdelijk is. Zoek je netwerk met andere steden.

Ik hoop dat we elkaar snel terug zien. Dat het asfalt plaats ruimt voor de wolken en je me opnieuw verrast met obstakels en meer inzichten.

 

Liefs

Evi

 

Brieven aan de stad, een initiatief van De Republiek Brugge en Architectuuratelier Dertien12. Editie november 2019 in het kader van AMOK festival.

 

 

 


To define is to limit, Waarom het zo moeilijk is uit te leggen wat Timelab is

Wat is dat, Timelab ? Dat is zonder twijfel de meest voorkomende vraag die ik de voorbije 10 jaar heb gehoord. Niet eenduidig kunnen antwoorden op deze vraag voelde altijd als een beperking. Een ongemakkelijk gevoel. Een tekortkoming. Een rusteloos blijven zoeken naar de definitie. Maar het lijkt alsof het eindpunt van deze denkoefening me steeds ontglipt. Zoals het getal PI, lijkt ook deze hersenkraker de oneindigheid in zich te dragen.

Met gebogen hoofd antwoord ik dan: Wat brengt jou hier? Wat maakt jou onrustig in wat je ziet? Wat triggert jou? Wat zou je graag anders zien? Hoe zou het voor jou duidelijker kunnen zijn?

Het antwoord was vaak te herleiden tot: een pitch. Simpel toch? Cursussen alom en hop.

Onder druk van de pitch generatie en pechakucha mythe kwamen ontelbare pogingen. Communicatiebureaus braken zich de kop. Brainstorms meanderden door poëtische en metaforische omschrijvingen van ecosystemen en elektrische circuits. Van stadslabo, over incubator tot klasse van hackers tot open protocol voor de stad van morgen. Het “experimentele labo voor samenwerkingsmodellen”, die hield het langste stand.

 Al deze omschrijvingen kloppen nog steeds, alleen, wandelaars weten het, de horizon verandert naarmate je verder stapt. Zolang we tenminste geloven dat de aarde rond is. Of toch minstens ovaal.

Het is precies dat voortschrijdend inzicht, ontwerpend of praktisch onderzoek, lean & agile, jugaad, DIY, van open source tot open einde, Système D of wabi sabi. Allemaal gaan ze terug tot dezelfde logica: het dna van de beweging. Het zenuwstelsel van de tijd.

En hier sta ik dan, na 10 jaar, voor De Schuur in ruwbouw, nog niet helemaal klaar voor de volgende levensfase van de organisatie en opnieuw voor die opgave, met zweet in de handen.

ik mijmer en zoek houvast in het verleden. Ritme in de tijd. Ankerpunten in een logisch verloop.

Al wandelend verkennen we bij Timelab al 10 jaar hoe we kunnen samenwerken. Overheen domeinen, disciplines en achtergronden. De Quintuple Helix samenwerking beoefenen we lang voor we de term leerde kennen. Wat niet wil zeggen dat we de magische formule gekraakt hebben. Laat ons zeggen dat We tried, failed, tried again and failed better (S. Beckett) Burgers, organisaties, ondernemers, kennisinstellingen en overheid, deze vijf perspectieven zijn cruciaal om de complexiteit van vraagstukken waar we als samenleving voor staan te kunnen ontwarren. En wat levert die samenwerking op? Iets van gemeenschappelijk belang. Zo kwamen de Commons in mijn leven. Commons is de benaming van een logica, een mentaliteit, een protocol voor samenwerking dat gebaseerd is op een andere logica dan die van de markt en van de staat. De ontdekking van de Urbane Commons - als een geactualiseerde versie van een middeleeuws concept - werkte als een tipje van de sluier op het enigma dat Timelab heet.  

De eerste drie jaar onderzochten we hoe open community’s werken met het fablab als metafoor voor de open-einde-samenwerking. Het gaat over concrete projecten en een wereldwijde hyperdisciplinaire procesvorming. 

Met Niets is Verloren (2014) braken we uit de muren van het lab de stad in. De aanvoerder was de kunst, de samenwerking was niet vijf, maar zevenvoudig waarbij de Vlaamse TV en hogeschool KASK de quintuple helix aanvulden. 150 mensen namen deel aan een brainstorm en zeven co-creatieprojecten zagen het licht. Drie hiervan zijn vandaag nog steeds in leven en succesvol: Ginderella, knotplex en het Spilvarken.

In 2017 opende NEST haar deuren. De tijdelijke invulling van de oude stadsbibliotheek aan het Zuid in Gent. Gemotiveerd omdat de oude bibliotheek een landmark is in veel van onze harten. Maar ook benieuwd naar hoe een commons zich zou kunnen ontwikkelen vanuit de vaste vorm en complexiteit van een openbaar gebouw van 6000 M2. Wie deelt wat? Wat is gedeeld? Wat is gemeen? Het was een experiment waarbij het risico van de investering in een tijdelijke invulling van een gebouw zo centraal gelegen en deels beschermd, kan gedragen worden door een grote groep mensen. 45 bij de start, na een paar maand waren er al over de 150 initiatieven. 13 typeruimtes waar kleine en grotere groepen van samenwerkingen zich organiseerden in een aanbod voor alle Gentenaars en daarbuiten. Iedere groep had een verantwoordelijke en aandeelhouder in de cooperatieve vennootschap Stadslabo cvba. Niet iedereen was het over alles eens, maar wat zeker is voor iedereen die in dit avontuur betrokken was, het was bijzonder leerrijk. De ambitie was een polycentrisch organisatiemodel. Het werd een praktisch onderzoek over macht, verantwoordelijkheden, flexibiliteit en veerkracht van de urbane commons. NEST gaf ons een belangrijk inzicht. Stap per stap naar een zachte beweging neem je als procesbegeleider een onderhoudende positie in. Net zoals een tuinman neem je enkel actie wanneer het nodig is. Geen grote gebaren, maar kleine zorgvuldige acties op basis van directe observatie. En nog belangrijker: Verandering zit in de hoofden en harten van de mensen en niet in een plan, contract of een visienota. Echte verandering vraagt tijd en zorg voor mensen.

 

2019. We ronden dit najaar een driejarig traject af in Roeselare. RSL op Post is de ontwikkeling van de voormalige post in centrum Roeselare. Een opdracht voor de Stad Roeselare en het OCMW. Alle aandacht ging hier naar mensen, relaties, zorg en veiligheid. Ambitie nummer 1 was: wanneer je het gebouw binnenwandelt weet en zie je niet wie OCMW client is en wie niet. Met een focus op talentontwikkeling, samenwerking en cultureel aanbod voor een breed publiek werd RSL op Post de plek waar de maker in ieder van ons een kans krijgt zich te ontplooien. Hier zien we de kracht van de individuele verhalen waarin de kiem zit van echte duurzame transitie die begint bij de mensen zelf.

 

Binnen een klein jaar openen de poorten van De Schuur nabij Dampoort. Als een vrijplaats, een opslagplaats voor barre tijden, als een schurende plek in de stad. De Schuur onderzoekt de kansen van een nieuwe economie op schaal van de buurt. Circulair, efficient en veerkrachtig.  De Schuur is misschien wel de grootste uitdaging van ze allemaal. We gaan voor 27 jaar en een polycentrisch organisatiemodel waar opnieuw stadslabo cvba een plek in krijgt. 

Het wordt een plek waar om en bij 100 mensen sterk betrokken zijn in maar liefst 8 verschillende en verbonden labo’s. Het makerslab, uiteraard, maar ook een materialenlab, een energielab, een waterlab, een textiellab, een School of Commons, een labo voor lichaam en gezondheid en een programma gemaakt door de buurt. 

Het wordt een plek waar commons worden gemaakt en energie wordt gedeeld. Misschien komt er wel een eigen munt of een datanetwerk voor de buurt. Maar alleen wanneer dit wenselijk is.

De vraag die ons bezighoudt is : wat geven we terug aan onze buurt. Hoe versterken we het weefsel vanuit de gedachten dat we samen iets gemeen onderhouden, namelijk, onze toekomst en die van onze kinderen.

Het wordt een plek waar kwetsbaarheid en imperfectie kracht is. Waar niets ooit af is. En dat is ok. 


Community munten en gedeeld kapitaal: Bespiegelingen over een Kunstenmunt

Wie weet is niet zozeer méér geld, maar wel ánder geld een oplossing voor de wankele financiële positie van kunstenaars en cultuurwerkers? In Kenia hielp die gedachte alvast veel landbouwdorpen een heel nieuwe adem te vinden. Met dank aan de Bangla-Pesa, een gemeenschapsmunt met een vervaldatum. Kan die ook de kunsten hier inspireren? Evi Swinnen van Timelab in Gent in dialoog met bedenker Will Ruddick in Kenia.

Lees het hele artikel hier