Bespiegelingen over een Kunstenmunt

Wie weet is niet zozeer méér geld, maar wel ánder geld een oplossing voor de wankele financiële positie van kunstenaars en cultuurwerkers? In Kenia hielp die gedachte alvast veel landbouwdorpen een heel nieuwe adem te vinden. Met dank aan de Bangla-Pesa, een gemeenschapsmunt met een vervaldatum. Kan die ook de kunsten hier inspireren? Evi Swinnen van Timelab in Gent in dialoog met bedenker Will Ruddick in Kenia.

Lees het hele artikel hier

 


Korte keten, zero uitstoot en nul landbouwgif: de verse groenten uit de landbouwtoren in de Schuur van Timelab

Korte keten, zero uitstoot en nul landbouwgif: de verse groenten uit de landbouwtoren in de Schuur van Timelab

Landbouwingenieur Nathan De Baets studeerde in Quebec Stad, specialiseerde zich in landbouw en klimaat en woont nu met vrouw en kinderen op het platteland van Quebec. Hij werkt voor agentschappen van de Wereldbank en de VN die hij als consultant adviseert over minder emissies in de landbouw. Tegelijk ondersteunt hij start-ups als Inno-3B, een bedrijfje dat landbouwtorens of vertical farming ontwikkelt. “Toen ik hoorde dat Timelab De Schuur aan het opzetten is, zagen we beide een kans: een modulair opbouwbare landbouwtoren in Gent.” We vroegen Nathan hoe één en ander werkt en wat slimme, klimaatneutrale stadslandbouw ons te bieden heeft.

Toen Nathan nog in Gent woonde, was hij kind aan huis bij Timelab. “Ik ben graag met mijn handen bezig, dus het FabLab-idee was geknipt voor mij. Het was mijn eerste kennismaking met een makerspace. Ik onderzocht er bijvoorbeeld hoe je de kunststof van snowboards – hoge densiteit ethyleen - recupereert. Daaruit kwamen andere projecten voort. Ik heb er twee interessante jaren beleefd.” Slimme landbouw is de kernexpertise geworden van Nathan De Baets. Hij werkt al een viertal jaar samen met Inno-3B, een start-up van een vriend die technologie ontwikkelt voor verticale landbouw. “Broeikas uitstoot van landbouw is dankzij onze installatie veel kleiner en beter opvolgbaar. Dat zou heel wat belangstelling moeten opleveren.”

       

Inno 3B noemt zich een generator of agro-technology adapted for various applications in response to today's environmental challenges. Klimaat en landbouw worden in één adem genoemd.

“Onze verticale landbouwtoren is ontworpen voor de intensieve groententeelt op een manier die milieu en klimaat minimaal belast. Hij bestaat uit op elkaar gestapelde laden tot 20 meter hoog. Die belichten we met LEDS. Op hun beurt koelen we die met water. Dat opgewarmde water garandeert een constante temperatuur. Het hele principe draait op hernieuwbare energie. Daarbij komt dat de productie-unit dicht bij de consument ligt: het basisprincipe van de korte keten. In steden en in dichtbevolkte buurten is een landbouwtoren daarom extra interessant. Daardoor daalt de CO²-uitstoot maar je halveert ook de voedselverspilling omdat je minder  distributiekanalen nodig hebt.”

De grootste winst: veel lagere emissiecijfers van broeikasgassen dan in traditionele landbouw.

“Meststoffen in bodems stoten veel stikstof uit, zeker bij overbemesting. Telkens wanneer je je veld omploegt, leidt dat tot nieuwe emissies. In een landbouwtoren is 15 keer minder meststof nodig dan in een open landbouwomgeving. Er is nauwelijks verlies. In een open omgeving verdwijnen meststoffen in de lucht en het grondwater. Net daarom wordt er veel meer bemest dan de grond nodig heeft. In een landbouwtoren wordt alle meststof opgenomen door de gewassen, het water trekt niet in de grond én je kan het sowieso 100 procent zuiveren. Het hele proces is beheersbaar. Ook op het vlak van landbouwgif is ons systeem zuiver. Er zijn geen bestrijdingsmiddelen nodig omdat er geen externe bedreigingen zijn voor de gewassen. En ten slotte kan je elk geoogst gewas traceren.”

“De meeste bladgroente die we verbouwen is afkomstig uit warmere klimaten. Voor een groot deel komen in onze streken die gewassen dus uit serres. Die worden in Europa minstens voor een deel verwarmd met fossiele brandstoffen. In onze installatie schakelen we zoveel mogelijk over naar hernieuwbare energiebronnen zoals geothermie, zonnepanelen en windenergie. Daardoor boeken we in onze ecologische voetafdruk ook energiewinst in vergelijking met commerciële serregewassen. De totale ROI – return on investment - van een landbouwtoren is bovendien beter dan traditionele landbouw. Het grote struikelblok blijft de investeringskost: zo’n toren plaatsen is duur.”

Maar jullie Canadese pilootproject is een voorbeeld voor de financiering van vertical farming voor en door een lokale gemeenschap.

“Ik woon op vier uur rijden van Quebec in een dorp waar weinig jongeren zijn overgebleven”, zegt Nathan De Baets. “De kerk van Saint-Pacôme wordt eigenlijk niet meer gebruikt, maar is wel een kostenpost voor de gemeenschap: verwarming, verzekering … er waren zelfs plannen om hem af te breken, maar de parochie deed een projectoproep om er een nieuwe bestemming voor te vinden. Mijn zakenpartner Martin Brault, de hoofdaandeelhouder van Inno-3B, en ik zagen de kerk als een ideale plek voor vertical farming. Zo hoefden we niet zelf ergens een gebouw op te trekken. Wij hebben het gebouw dan gekocht en zijn het nu technisch aan het aanpassen met betongietvloeren, nieuwe elektriciteitsleidingen en waterafvoer. Vanaf juni 2019 bouwen we de installatie op. We streven naar een productieoppervlakte van 1400 m².”

“Tegelijk maken we er een gemeenschapsproject van. De inwoners van Saint-Pacôme hebben een vzw opgericht, Le Jardin Du Clocher, om onze technologie aan te kopen en die zelf uit te baten. We willen er samen met hen een lokale economische motor van maken die inkomsten genereert voor de gemeenschap, jobs creëert en zo een aanzet geeft om het dorp weer aantrekkelijker te maken voor wonen én werken. Saint-Pacôme is alvast één rurale gemeenschap die we met zo’n innovatief ecosysteem wat nieuw leven kunnen inblazen.”

Waarom zijn jullie er zeker van dat het verdienmodel zal werken?

“De groenten zijn écht vers en lokaal geproduceerd, in tegenstelling tot wat er wordt ingevlogen uit Florida, Californië of Mexico. Dat is oogst uit grootschalige commerciële landbouw. Wij willen lokaal verkopen aan consumenten maar ook aan restaurants, scholen en ziekenhuizen. Ook in de vorm van gemixte salades met bijvoorbeeld rucola. Vooral daarin zit toegevoegde waarde. Voor een fastfoodrestaurant is het een verkoopsargument dat die groenten just-in-time geleverd worden én lokaal geproduceerd zijn.  Als vzw mag je geen winst maken, dus Le Jardin Du Clocher gaat de winst herinvesteren in de gemeenschap via gemeenschapsprojecten. Leuk is dat de kerk als cultureel erfgoed blijft bestaan en dat er 25-tal mensen aan de slag kunnen om die microgroentjes en kruiden te kweken en verkopen.”

Hoe kun je het platteland van Canada vergelijken met de Gentse Dampoortwijk? Zal jullie verdienmodel ook werken in De Schuur? Gent telt in vergelijking met Saint-Pacôme wél al heel wat korteketenleveranciers.

Klopt”, beaamt Nathan. “Op energievlak kunnen we in Canada bijna volledig rekenen op hernieuwbare energie uit waterkracht. Bovendien recupereren we energie in het systeem: de torens worden verlicht via een LED-systeem waarachter water stroomt om de LEDS af te koelen. Dat water neemt 70 procent van de warmte van de LEDS op. Daarmee verwarmen we via eencentraal verwarmingssysteem de kerk met water van ongeveer 40 graden. Die warmte en energie opslaan blijft wel een technische uitdaging: in de zomer hebben we een energie-overschot, ‘s winters een tekort. Dat wordt ook de uitdaging in België waar de deels afhankelijk zijn van niet-

hernieuwbare energie. Nog zorgvuldiger met energieverbruik omgaan is het antwoord. Technisch blijft de insteek in De Schuur wel vergelijkbaar met de kerk: er moet bijvoorbeeld extra geïsoleerd worden. Omdat het een start-upproject is, kijken we uit naar financiering. Omdat Timelab een stadslabo is, proberen we om de hoofdaandeelhouder van Inno-3B te overtuigen de installatie te plaatsen als demo-unit voor Europa én als lab om het energie-aspect van vertical farming te bestuderen. Zijn zonnepanelen of geothermie de oplossing voor onze regio? Hoe kunnen we die energie het beste omzetten? Timelab heeft daar heel wat expertise voor in huis. Er is al een onderzoeker actief die ook microgroentjes produceert. Die willen we graag mee aan boord. De schaalgrootte is nog wel een issue: hoe groot moeten de torens zijn om het gebouw te kunnen verwarmen? We moeten ook nog uitzoeken hoe groot de vraag naar onze groenten wordt. In Gent bestaan al heel wat korteketenleveranciers. De businesscase moet dus nog op punt gezet worden. En misschien kunnen we ook andere gewassen kweken die als grondstof voor materialen bruikbaar zijn in de andere labo’s van De Schuur. Zo is er het makerslab, maar binnenkort ook een Textiellab, materialenlab en een waterlab. Met onze installatie vullen we dit rijtje aan op vlak van energie en productie van gewassen. Op het vlak van community building in de Dampoortwijk zie ik wel mogelijkheden. Timelab is een drijvende kracht achter duurzame stadsnetwerkopbouw, Gent is een voortrekker op het vlak van klimaat, stadslandbouw en korte keten. Onderzoek, innovatie en een werkbaar businessmodel kunnen er zeker samengaan.”

 


Van invasieve exoot tot bouwmateriaal

Citizen Science in productontwikkeling

Makerslabo’s schieten als paddenstoelen uit de grond. Met de lasercutter worden hier dagelijks nieuwe prototypes gemaakt. Meestal gebruiken we MDF als goedkoop en wendbaar basismateriaal. Deze platen bestaan voornamelijk uit lijm en houtmeel, en de overschotten zijn niet recycleerbaar. De impact is enorm zowel op de mens als planeet, op de slijtage van de machine en het makerslab zelf.

Met Knotplex willen we hier verandering in brengen. Dit plaatmateriaal bestaat voornamelijk uit maaiafval van de exotische, invasieve Japanse Duizendknoop. Vooronderzoek wees uit dat zowel warme als koude productieprocessen behoorlijk goede resultaten leveren bij het lasercutten... Maar de samenstelling kan nog beter! We zoeken het ideale recept: minimale ingrediënten en energieverbruik, maximaal gebruik van het maaiafval. Dat is de uitdaging van dit citizen science project.

Burgerwetenschappen in de onderzoeksfase van een productontwikkeling. Hoe gaat dat in z'n werk?

  1. Haal een starterspakket op en ga zelf aan de slag.
  2. Test het procedé en de samenstelling, en
  3. deel je onderzoeksresultaten met de community.
  4. Breng je testplaten binnen in het makerslab van Timelab en onderwerp ze aan de ultieme lasercut test.

Heb je het ideale recept gevonden, dan wacht jou een mooie beloning: een liter Ginderella, de lekkerste gin van't land op basis van dezelfde plant.

Een project met de steun van Vlaio en de Koning Boudewijn Stichting.

meer info: knotplex.org


Reshaping the Residency Program as a Commons

A community of artists, called Sprinters

Former residents and people from Timelab’s broader artists network have gathered occasionally over the years. This includes a diverse group of people from academics, designers, neighbours, to activists, engineers and policy makers.  Since spring 2017, they were invited to take part in the yearly Sprint. We call them Sprinters.

The ‘Sprint’ is a concept first used in open source software development. A book publishing sprint is an intensive live work session to decide on the updates to be released in the next edition. What has been done in the past year? What can be evaluated as a positive contribution?What is good enough to be integrated into the core system? The sprint ends with a release of the new version that can be used by the whole community of users. The group of sprinters in Timelab releases new concepts to be implemented and tested over the following year. It opens up new opportunities for a bigger group of stakeholders.

The Sprinters are in charge of conceptualising, implementing and evaluating different activities that support the livelihood of the group and create a generative network of committed artists. In 2019 these events are the Sprint (Feb), Introduction Week (June), Residency (Oct-Dec), Evaluation Week (Dec). They decide on the selection procedure of the residents and the allocation of the budget with those residents.

Current and founding Sprinters are Rasa Alksnyte, Z. Blace, Vanessa Brazeau, Marc Buchy, Stefan Klein, Andrew Paterson, Gosie Vervloessem

The group of sprinters is well defined, with clear boundaries, but is not a closed group. The group grows through the spiral process of onboarding.

As a community, Sprinters have a set of unique rights and duties.

  • As a group, they decide on activities and processes.
  • They get a substantial budget allocated by Timelab to work with.
  • They get access to a basic income when they commit to becoming one of the yearly buddies for new residents.
  • They engage to follow up on agreements with partners and Timelab on, for example, reporting, documenting and logistics.
  • As part of the Trinity, they prepare and follow up on the organisation of events such as the Introduction Week, Evaluation Week and Yearly Sprinters Event.

They agree on the shared values and dream of the Network of Communities:

  • Share knowledge and expertise with peers
  • Produce locally, reproducibly and repairably; or do not produce
  • are open to dissonance and invite new perspectives
  • always look for flexible and adjustable systems
  • Identify complementarity beyond differences
  • strive for mutual contribution and equity
  • connect and strengthen by free contribution
  • create trust and safety by relying on peers

 

Being a Sprinter, the artist as a researcher fosters a lifelong engagement to exercise humankind as a whole (Schafaff, 2018, Commonism, A New Aesthetics of the Real, p 345) that will encourage and support others to experiment with a different life. Not only as a concept, but as a practical guide to a sustainable livelihood.

Supported by a network of professionals providing feedback, called Reflectors

The sprinters take care of a reflection board to give feedback and be critical challengers of their creations. From time to time they produce written comments and various forms of reflection.

Agree on temporary roles for organisers, called Buddies and the Trinity

Within the group of Sprinters, there are specific roles being designed. The Trinity is a group of 3 that is accountable for organising the events. This is a paid, assigned job.

The Buddies are there for the all-round support of new residents. They are connected to the residents at the end of the Introduction Week through an organic pairing process depending on the connection that develops between sprinters and residents. Once a Buddy, the Sprinter can rely on a basic income for that year.

Create interdependence within a network of communities

The community of sprinters is an autonomous group working within the mutually agreed guidelines of the organisation of Timelab.  It is one of the communities of the network of communities in Timelab. Other groups are makers, neighbours, coaches, and reporters.

Hosted in a physical space: De Schuur

Most of the activities are centred around the physical space in the Dampoort Neighbourhood in Ghent. This 1800 sqm renovated industrial heritage building is an open space where the network of communities of Timelab become visible and interact.

The mission and vision of De Schuur is:

De Schuur is an independent non-profit initiative that seeks to inspire, foster positive (inter)action, and give room to practical experiments.

To achieve this, we are developing a new space in the city of Ghent.

In this urban laboratory, we peer between and beyond systems. We enable constructive experiments, local ingenuity and activities that contribute to the soft global movement towards a more positive and sustainable city.

We are a community of communities, each with its own game rules, activities, and flavour. But we share the dream, the space, and the vision of De Schuur.

Organise an artistic research residency as part of a spiral process to enter the community

As the mission of Timelab is ‘giving Time, Space and Reflection for a society on the move’, the residency program provides time and space. It is however not intended for for isolation, contemplation and creative soul-searching. Located in the heart of the city of Ghent, the experience is  one of inevitable connection with the environment and social context. Here, supporting the need for unpressured, concentrated time and space, enables creating trusting relationships with every being encountered. The defined time period invites exploration, inspiration and learning new skills. It welcomes the mutualising of resources and enabling of encounters amongst the communities, visitors and participants.

Apart from the autonomous position of the artists, there is a strong connection to the group of artists based on the relationship with their buddies. The resident-to-be will learn about the system and the purpose of the residency program as a spiral process of onboarding.

This onboarding process begins with the selection of a long-list of artists recommended by the group of sprinters. The sprinters discuss their reasons for their recommendations and a group decision is made for a short-list of artists. These are invited to an Introduction Week organised by the Trinity, during which they will co-define and discuss the program, timeline and budget of the residency period in the fall. If a selected artist does not wish to take part in the residency after this process, they are offered a fee for their participation in the Introduction Week and free to decline their participation. Buddies are introduced and connected to each resident. During the 3 month residency, artistic research is conducted by all residents, individually or as a group. At the end of this period, an Evaluation Week takes place, in which the Artists, Buddies and some invited Sprinters and Reflectors evaluate the possible onboarding of the residents. The onboarding is officially finalised by the onboarding process during the Spring Sprinters Event in February.

Roles

Sprinters A group of artists gathering every year to ‘Sprint’, this is evaluating the last year and setting outlines for the next year. This closed group grows through the residency program and has a specific set of rules, duties and rights.

Reflectors Reporters and commentators that produce texts, pictures, video and any other medium needed to capture the process and questions that rise during the process.  

Buddies A group of sprinters selected based up on the needs of the residents.

Trinity A group of 3 sprinters that organise a yearly introduction week.

Residents Selected group of artists entering the onboarding program by a 3 months residency.

Board A network of external eyes to give feedback and challenge the sprinters.

Key terms

Commoning The social practices used by commoners in the course of managing shared resources and reclaiming the commons. The term describes ways of bringing people together to activate the power of social cooperation to get things done for the greater good. Commoners live in close connection to shared resources. Urban commons are those shared resources that are managed and maintained by a well defined group of commoners, led by their own rules. (more reads: David Bollier, Michel Bauwens)
Artistic research Artistic research means that an artist produces an art work and researches the creative process, thus doing fieldwork and adding to the accumulation of knowledge. The knowledge that artistic research strives for is a felt knowledge. This research is not necessarily only carried out by an artist.  The attribute artistic describes the making of a mode of artistic experience. Deliberately adaptive and fluid in its forms and principles, artistic research is an established term in higher education since the 1990s. (More to read: Florian Schneider, Commonism, New aesthetic of the real, 2018)
Spiral process The spiral is an open ended form of natural movement.  Created by the irrational number called Pi. The protocol stays the same, but the flow changes by every circle. the spiral process explain the way the yearly circles of onboarding new Sprinters leads to a growing amount of people and reciprocal interactions.
Onboarding the process of integrating a new member into an organization and its culture to acquire the necessary knowledge, skills, and behaviours to become effective as an insider; also known as organizational socialization.  The most commonly used strategy is creating and following a checklist. Origin: The word came into existence in the 1970s, and gained popularity in business circles in the last decade.
Residency Artist-in-residence programs give creative practitioners time and space away from their usual environment and obligations. They open space and time for reflection, research, presentation and/or production.  Residency opportunities for artists, academics, writers and curators have existed since the 1980s. (More to read: P. Gielen, Nico Dockx)

De architect als ruimte-regisseur - Frederique Hermans (A2O architecten)

De architect als ruimte-regisseur

Frederique Hermans (A2O Architecten)

De rol van de architect verandert. Als eenzame behoeder van de stad hebben wij hem niet meer nodig. Dat past niet meer in onze democratische en continu veranderende samenleving. Het geeft ons geen antwoorden op de complexe vraagstukken van vandaag.

Architectuur is overal, er is geen ontsnappen aan. Het bepaalt hoe wij wonen, werken en samenleven. Architectuur is welzijn. Het bepaalt in grote mate onze ecologische voetafdruk, onze gezondheid en misschien zelfs ons geluk. Maar architectuur is ook cultuur. Het geeft een gezicht aan onze geschiedenis en is een spiegel voor onze dromen voor de toekomst. Daarom is architectuur van iedereen.

Welkom aan de regisseur. Hij stelt zich ten dienste van het ruimtelijk gemeengoed door er zelf deel van uit te maken. Hij gelooft in ontwerp als een interdisciplinair en co-productief platform waarbij elke betrokkene, vanuit zijn eigen leefwereld, een verrijking is voor het eindresultaat. Met het vermogen om over de grenzen te kijken en met een open blik op ruimtelijke transformaties, treedt hij op als ruimteregisseur bij uitstek.

Met Ruimte tonen we aan de hand van casestudies hoe een gemeenschap samen architectuur kan maken en de zeggenschap over zijn omgeving kan terugeisen. De regisseur neemt hierbij zijn nieuwe rol in als facilitator en moderator. Met dit verhaal reflecteert Timelab over haar ambitie als voortrekker in de coproductie van de bebouwde omgeving.


NEST als een commons : Michel Bauwens en Evi Swinnen in gesprek

Op een vroege zomerdag, rond de middag, staan de terrasdeuren in het leescafé van de oude stadsbibliotheek op het Gentse Zuid open. Het geroezemoes van de gasten buiten vermengt zich met het rustige ritme van de muziek in het nieuwe café, Bar Wilson. Op de drankkaart: lokaal bier, biolimonade en heerlijke koffie.

Meer dan zeventig initiatieven bundelden zich om een nieuwe, tijdelijke invulling te bedenken voor de voormalige stadsbib. Daarmee gaan ze niet alleen leegstand tegen, maar joegen ze ook ook een wind van vernieuwing en jeugdig enthousiasme over het grote plein van het Gentse Zuid.

Rond een tafel in de bar op de eerste verdieping van de oude stadsbib, op opmerkelijke houten stoelen, tref ik Evi Swinnen en Michel Bauwens. We spreken elkaar over burgers die samen het heft in handen nemen. We bevinden ons in het commonsproject NEST, de naam van tijdelijke invulling van de oude stadsbib. NEST is een voorbeeld van hoe burgers open ruimtes in steden meer en meer zelf een zinvolle invulling geven.

Evi Swinnen is de motor achter Timelab, een open kunstenwerkplaats in Gent waar creatievelingen, activisten en technologiefans samenwerken aan projecten met een meerwaarde voor de samenleving. Swinnen bouwde ervaring op in het begeleiden van samenwerkingsprocessen. Vanuit die achtergrond voorzag ze ondersteuning die de organisaties van NEST hielp om zich ‘horizontaal’ te organiseren en samen beslissingen te nemen.

Michel Bauwens is visionair denker en transitiecoach. Hij is oprichter van de P2P Foundation, die onderzoek doet naar horizontale peer to peer-netwerken en -praktijken. Hij staat bekend als internationale pionier in het domein en voert een netwerk aan van onderzoekers rond commons en peer-to-peer. Bauwens schrijft, geeft workshops en lezingen, en werkt vooral in het buitenland. In 2013 verscheen zijn boek ‘de wereld redden’. Van maart tot mei dit jaar onderzocht Bauwens in opdracht van de Stad Gent de commonsprojecten in Gent en hoe de stad die burgerinitiatieven kon versterken. De resultaten kwamen terecht in een Commons Transitie Plan, dat in juni verscheen.

We hebben het over hoe burgers zélf verantwoordelijkheid opnemen voor plekken in de stad. En waarom het goed is dat burgers er hun eigen ding van maken.

We zitten hier in NEST, een echt commonsproject. Tientallen mensen en organisaties beslisten samen over de nieuwe invulling van de oude stadsbib. Om goed te begrijpen wat er zich hier de laatste weken en maanden heeft afgespeeld, is het belangrijk om te begrijpen wat ‘commons’ nu eigenlijk zijn. Wat houdt dat precies in, commons?

M.B.: “Commons - letterlijk ‘gemeenschappelijke dingen’ - zijn hulpbronnen (resources) waar alle leden van een groep gebruik van mogen maken. Typisch is dat niemand eigenaar is, en daarom heeft ook niemand het alleenrecht om iets aan de commons te veranderen. Beslissingen worden gedragen door alle leden die aan de commons bijdragen. In grote lijnen bestaan er vier types ‘commons’, met als factor van onderscheid of ze tastbaar of immaterieel zijn, en of ze overgeërfd of nieuw gemaakt zijn.”

“Een eerste type commons zijn de natuurlijke hulpbronnen, zoals lucht of rivieren. Die zijn toegankelijk - of zouden dat moeten zijn - voor alle leden van de samenleving. Dit type commons is ‘overgeërfd’. Een tweede type commons zijn overgeërfde immateriële commons, zoals taal of cultuur. Niemand is eigenaar van een taal, of kan bijvoorbeeld op eigen houtje beslissen om de grammaticaregels te veranderen.”

“Een derde type commons is ‘nieuwe’ kennis die samen gemaakt en gedeeld wordt via open source. Wikipedia is daar het meest bekende voorbeeld van, of Linux-software. Tenslotte heb je de materiële commons die door één of meer mensen werden gemaakt en/of gebruikt. Denk aan cohousing, open werkplaatsen, gedeelde machines.”

E.S.: “Materiële commons staan centraal bij stedelijke commonsprojecten, zoals NEST. Die zijn van nature lokaal verankerd - anders dan bij gedeelde kennis, zoals Wikipedia, waarvan de auteurs zich overal ter wereld kunnen bevinden. Materiële commons worden gedragen door een gemeenschap, de bijdragers kennen elkaar. Het groepsgebeuren is er erg belangrijk. Groepen die samen commons beheren, doen dat doorgaans door een set van regels af te spreken waar iedereen die gebruik wil maken van de commons mee akkoord gaat. Dat kan gaan over de verdeling van de uren permanentie in een plek als NEST, of over de verdeling van de opbrengst van een stadslandbouwproject. Hoewel commons binnen de wet opereren, zijn ze relatief onafhankelijk van de overheid en de markt.”

Michel, in 2013 schreef je een boek met de ambitieuze titel ‘de wereld redden’. Daarin hield je een pleidooi voor mensen om als gelijken samen waarde te creëren, zonder daarvoor toestemming te moeten vragen bij een overheid. Je ziet de commons als een oplossing voor de grote problemen die onze tijd stelt, bijvoorbeeld klimaatopwarming of grondstoffenschaarste. Zijn commons echt zo krachtig?

M.B.: “Eén van de troeven van commons is dat ze ingaan tegen een problematische manier van omgaan met de wereld. De manier waarop de meeste mensen vandaag leven en produceren, noem ik ‘extractief’ - we halen grondstoffen, voedsel en zoveel meer uit de grond. Dat heeft als gevolg dat we de aarde armer achterlaten dan hoe we hem vonden. Maar de problemen die de verarming van onze leefomgeving met zich meebrengen, worden ondertussen niet in rekening gebracht. Dan bedoel ik bijvoorbeeld de milieueffecten van het vervuilende overzeese transport van made in China-producten. Op dit moment is er niemand die verantwoordelijkheid opneemt voor die vervuiling, terwijl de rekening zich al presenteert, via klimaatproblemen. Die extractieve manier van werken zorgt ervoor dat we onszelf - en de toekomstige generaties - grondig in de nesten werken.”

“Door met commons te werken, breek je met die denkwijze. Mensen die samen verantwoordelijk zijn voor een gedeelde eigendom, kiezen vaak voor de oplossing die op de lange termijn positief uitdraait. Wanneer groepen mensen een een boerderij opstarten, is winst niet het belangrijkste, maar wel de educatieve waarde of het plezier van samen in de aarde te wroeten, of de band met de natuur. Groepen mensen die samen een product ontwerpen hebben ook geen voordeel aan ingebouwde veroudering of verplichte updates, zoals dat gebeurt bij bijvoorbeeld onze smartphones. Binnen commons gedragen mensen zich socialer en duurzamer.”

“Commons verschillen grondig van het huidige marktdenken,” stelt Bauwens. “Ik noem ze ‘generatief’, omdat ze de gemeenschap meer opleveren dan er wordt uitgehaald. Typisch investeren groepen via commons ook in de sociale of culturele ontplooiing van de groepsleden. Mensen leren elkaar technieken, muziek of kennis aan, en commons leiden erg vaak tot nieuwe samenwerkingen. Het zijn plekken van kruisbestuivingen.”

“Maar ook economisch leveren commons de groep vaak iets op. Winst van commons verdwijnt doorgaans niet gemakkelijk via multinationals naar het buitenland. In de voedingssector is de overgang naar lokaal produceren al duidelijk ingezet - denk maar aan paddenstoelenkwekerijen op koffieafval of lokale boerenmarktjes die je in de steden ziet opduiken. Maar volgens mij is het potentieel van lokaal produceren niet beperkt tot de voedselketen,” zegt Bauwens. “Ik geloof dat we tot 80 procent van de producten die we nu van de andere kant van de wereld overvaren, opnieuw in de gemeenschap kan worden geproduceerd.”

Commons werken dus generatief, terwijl het huidige economische systeem extractief noemt. Ligt het probleem dan bij het kapitalisme?

“Het kapitalisme is gewoon een systeem met erg veel nadelen,” verklaart Bauwens. “Maar wat je fanatiek bestrijdt, versterk je ook. Daarom kiezen we er strategisch voor om in te zetten op de alternatieven, de commons dus. Bij het kapitalisme is economische winst belangrijker dan sociale, culturele of ecologische winst. Dat lijkt me op termijn niet houdbaar. Ik ben ervan overtuigd dat, als het kapitalisme vandaag wil overleven, het én groener moet worden, én commons nodig heeft. Maar beide systemen gaan zeker een tijd samen moeten functioneren, en dat kan volgens mij ook prima. Het commonsmodel zal op de lange termijn wel voordeliger blijken.” (lacht)

Michel Bauwens werkte de voorbije maanden in opdracht van Stad Gent aan een rapport over de mogelijkheden van Gent als Commonsstad van de toekomst. De steun van de lokale overheid hebben jullie. In een gemeenschap gericht is op commons, zien jullie de rol van de overheden evenwel radicaal anders dan vandaag. Jullie pleiten voor de transformatie van de huidige sturende rol naar een ondersteunende rol. Hoe zien jullie dat precies?

“Het grootste deel van de mensen die vandaag op aarde rondlopen, woont in steden,” zegt Swinnen. “Die steden worden geconfronteerd met problemen als bevolkingsdruk of verloedering. In heel wat steden zie je als antwoord daarop vormen van stedelijke commons opduiken. Mensen organiseren zich om hun stad duurzamer en inclusiever te maken - zoals hier bijvoorbeeld gebeurt met de energiecoöperatie EnerGent.”

“Maar niet alleen in Gent komen de burgers met oplossingen,” licht Swinnen toe, “ook in Barcelona waar burgerbeweging En Comú - die momenteel de burgemeester levert - de stad weer leefbaar wil maken door onder andere het massatoerisme in te perken. Of Frome, een Brits stadje, dat geldt als voorbeeld van een democratie waar de klassieke politieke partijen het beleid niet meer voeren, maar burgers zelf. En er is Bologna, een de stad die een concrete regelgeving uitwerkte rond hoe burgers en overheid samen gedeelde plekken in de stad kunnen beheren.”

“We geloven in een ‘partnerstaat’, een overheid die groepen geëngageerde burgers ondersteunt,” vult Bauwens aan. “Die burgers krijgen dan een grote mate van autonomie en dragen verantwoordelijkheid voor hun projecten. Dat betekent dat de politiek die we nu kennen op bepaalde vlakken ook overbodig wordt. Wanneer een plein wordt heraangelegd, kan de overheid de plannen voor het ontwerp en de invulling ervan voor een groot deel uit handen geven aan de buurtbewoners. Politiek moet zich op sommige vlakken ook overbodig wíllen maken. In Gent zien dat al hier en daar gebeuren. Dat vind ik fantastisch.”

‘Ruimte’ geven aan commons lijkt wel cruciaal?

Bauwens: “Absoluut, da’s een eerste stap in de goede richting. Er zijn drie grote manieren waarop een stad commons kan ondersteunen. Om te beginnen door infrastructuur aan te bieden, zoals braakliggende gronden of leegstaande panden. Een andere, grote steun is startende commonsprojecten te versterken, via bijvoorbeeld een incubator - daar bestaan al goede voorbeelden van, zoals de Sociale Innovatiefabriek, een organisatie gevestigd in Brussel die projecten in de sociale economie ondersteunt. Een incubator zorgt ervoor dat startende projecten makkelijker inzicht krijgen in de mogelijke organisatiestructuren en strategieën - daardoor moeten ze niet allemaal, wat ontzettend vermoeiend is.”

“Tenslotte kan de stad een overkoepelende organisatie ondersteunen die specifiek als bemiddelaar kan optreden tussen de commons en de stedelijke overheid. In ons Commons Transitie Plan noemden we die organisatie ‘Stadslabo’,” licht Bauwens toe. “Die kan commonsgroepen juridisch ondersteunen, of op vlak van infrastructuur. Het is een koepelorganisatie die experimenten begeleidt én erover reflecteert. En door over de grenzen te kijken houdt de organisatie de vinger aan de pols van de internationale commonsbeweging, waardoor ze kan bijleren van buitenlandse ervaring. Met zo’n ondersteunings- en reflectieorganisatie kunnen commonspraktijken in de stad zich zo blijven heruitvinden en blijven gedijen in een wereld die continu in verandering is.”

“Doorheen het onderzoek de afgelopen maanden merkte ik op dat de Stad de voorbije jaren al heel wat samenwerkingen met commonsgroepen heeft opgezet,” vertelt Bauwens. “Een voorbeeld is het project ‘lunch met LEF’, dat betaalbare lokale, ecologische en faire warme maaltijden in scholen organiseert. In ons rapport stellen we manieren voor om de samenwerking tussen commonsgroepen en de Stad optimaal te laten verlopen - we noemen ze publiek-sociale akkoorden of commonsakkoorden. Zo’n akkoord, zoals het in Bologna al bestaat, regelt de wederzijdse samenwerking rond bepaalde projecten. Wat er gebeurt in Barcelona, Frome en Bologna toont aan dat verschillende stadsbesturen op diverse manieren mee op de kar van de commons kunnen springen. Misschien ontbreekt net dat vandaag nog wel in Gent, die open, internationale blik.”

Een gedeelde invulling van een publieke ruimte, op zo’n grote schaal, dat hebben weinigen jullie voorgedaan. Misschien geldt NEST, het project in de oude stadsbib, zo’n beetje als de grote vuurproef voor het commonsdenken in de praktijk.

“Dat kan je zo wel stellen,” zegt Swinnen. “We zijn NEST nu al enkele maanden aan het uitbouwen met een groep organisaties van de meest diverse insteken en overtuigingen. Sommige dingen verliepen goed, op andere vlakken hebben we fouten gemaakt waaruit we belangrijke lessen moesten trekken, Maar we zijn behoorlijk trots op wat we samen bereikt hebben.”

“Wat de volgende maanden brengen blijft onzeker, zegt Swinnen, “alle beslissingen worden immers in groep genomen, zonder leidende figuur of uitgetekend businessplan. Maar de kruisbestuivingen die nu al ontstonden tussen de NESTbewoners en de kleine successen maken het alvast een ongelooflijk interessant en geslaagd experiment.”

“De kennis en de ervaringen van de voorbije maanden gaan we de volgende weken en maanden delen met de wereld. Er verschijnt een tweetalig boek in het Nederlands en Engels, dat vol staat met organisatietools en getuigenissen, en we organiseren een groots commonsfestival in NEST,” vertelt Swinnen. “We delen nu al heel wat kennis via allerlei online kanalen. Facebook, onze wikipagina bij de stad Gent en de P2P-wiki’s spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast werken we met P2P Foundation aan een leerplatform.”

“Door onze kennis te delen, hopen we dat alle burgers die er zin in hebben, op de meest diverse locaties er hun ding mee kunnen doen,” licht Swinnen toe. “NEST is een symbolische naam. In het nest zit een ei, later dit jaar zal er een jong uitvliegen. We hopen een eitje uit te broeden van het commonsdenken, door te laten zien wat je als georganiseerde burgers samen kan bereiken. Door onze praktijkvoorbeelden en ervaringen te verspreiden, hopen we dat burgers uit andere steden met onze experimenten en op basis van onze ervaringen zelf aan de slag gaan. In de overtuiging dat dat leidt tot een ongeziene stroomversnelling binnen de internationale commonsbeweging.” (lacht)

 

***

 

Het gesprek is afgelopen, de muziek speelt rustig door. We schuiven onze opmerkelijke houten stoelen naar achteren en verlaten we het café. Michel Bauwens haast zich naar een volgend interview, de volgende dag reist hij door naar het andere halfrond van de planeet.

 

De stoelen zijn Italiaans ontwerp, van Gentse makelij. Ze werden getimmerd volgens de handleiding van Enzo Mari’s Sedia Uno, een ontwerp uit 1974 waarbij je zonder snijverlies een stoel efficiënt uit een houten plank zaagt. IKEA, maar dan in open sourceversie. De stoelen werden in de bibliotheek, op ‘het plein’, met gemeenschappelijk materiaal verzaagd en in elkaar gezet, enkele dagen voor NEST opende.

 

Wanneer NEST in december de deuren zal sluiten komen de makers van de stoelen ze ophalen in het café. Tijdens de voorbije maanden hebben ze goed gediend. Maar wie streek er nu de winst van op? Dat blijft onduidelijk. Misschien Bar Wilson, dat niet moest investeren in dure caféstoelen? Misschien de makers, die binnenkort een designstuk in huis hebben? Misschien de bezoekers van het café, de designfreaks, de groene jongens die het ontwerp geweldig vonden? Misschien is die meerwaarde complex en eenvoudig tegelijk. Een goede stoel, soms heb je niet meer nodig.


Vandaag 4 maart besliste ik dat een blog de moeite is. Vandaag is een mijlpaal in de tocht die we afleggen. Wij, dat zijn om en bij 30 organisaties en initiatieven die begin februari 2017 beslisten een gok te wagen.

In mijn gedachten dwaal ik terug in de tijd, 28 dagen geleden startte een tocht naar een bestemming die zich steeds verlegd. Bij iedere stap verschuift de einder achter de horizon. Niet omdat we achteruit gaan, maar omdat onze ambitie samen met ons vertrouwen steeds toeneemt.

Een week voor de ‘speeddate’ die de stad organiseerde voor kandidaat gebruiker en beheerders beslisten we een klaverblad oefening te doen. Slecht 4 dagen vooraf openden we een doodle. Die kwam niet echt uit de startblokken, tot de link zich ging verspreiden op facebook. Op de gesloten groep die de stad organiseerde, maar ook viraal. Tegen donderdag avond moesten we de poll bij dringendheid afsluiten omdat zich ondertussen al bijna 50 deelnemers hadden aangediend. Om iedereen de vrijheid te geven het uur te kiezen werd iedere 2 uur opnieuw gestart. Om 9u, 11u, 13u en 15u ging een nieuwe groep aan de slag en gaf de vorige groep verslag van de oefening. Iedereen kreeg bij aankomst een folder met de intentie van de dag en van de kandidatuur. Dat we op zoek zijn naar de ‘common ground’ en niet naar economische of strategische oplossingen en onderhandelingen. Praktische zaken werden geweerd. Vooral intenties werden kenbaar gemaakt. Na een klaverblad oefening kreeg iedere kandidaat of groep een ‘openbare bekendmakeing’.  Ze vulden hierop de naam van hun typologie, een korte omschrijving, de activiteiten en de modaliteiten. Iedere groep werd begeleid in deze oefening en werd gestimuleerd om weg te denken van de eigen branding, maar net op zoek te gaan naar gemeenschappelijke grond. De typoligieën waren geboren. De Tuin, De Keuken, Het Werkhuis, De Tafel, De Stock, Het Kantoor, De Reflectiekamer, De Expo, De Box, De Zetel, De Stiltekamer, De geluidskamer, De Beeldkamer, Het Loket, Het Plein, Het Podium. 18 in totaal.

Niet eenvoudig om uit te leggen. Wat betekent dat, een Typologie. Het is een ruimte met specifieke eigenschappen. Ergens anoniem, tegelijkertijd heel herkenbaar. Iedere typologie heeft een eigen toegankelijkheid en gebruikersmodaliteiten.

Op 13 februari organiseert de stad een speeddate. 150 initiatieven verzamelen zich in De Centrale. Algauw blijkt de zaal veel te klein voor al dat ondernemend geweld. 5 kandidaatbeheerders krijgen de kans zichzelf voor te stellen. Drie uur vooraf beslisten Timelab, Democrazy, Kerk en Totum de rangen te sluiten. Wat 3 dagen ervoor nog 9 kandidaat beheerders waren op de bijeenkomst van beheerders in De Stek, waren er nu nog 5 samen met Luc en Vinie die beslisten niet verder als beheerder op te treden. Zij kozen ervoor hun expertise aan te bieden aan wie van de beheerders hen in de armen sluit.

Na de publieke presentaties van de kandidaat beheerders was het rijen aanschuiven aan de stand van Stadslabo.org, ook de naam was net enkele uren vooraf beslist. De bezoekers konden zich aanmelden bij iedere typologie als trekker of gebruiker. Een rood bolletje of een geel bolletje. 105 initiatieven doen deze oefening.

De dag nadien kon het tellen beginnen. Alle kandidaten kregen een folder mee naar huis met uitleg over het proces alsook een planning voor de komende brainstormsessies. 17 en 24 februari, 3, 4 en 11 maart.

Algauw werd duidelijk dat we er met de bestaande ploeg niet zouden geraken om alles rond te krijgen. We namen iemand extra in dienst voor ondersteuning. Petra startte de moeilijke opdracht om helder te krijgen wat precies wel en niet mag. Stedenbouwkundig, vergunningen, brandweer, overeenkomsten met de stad, etc etc. Sophie hielp met grafisch en praktisch werk en ik kon me focussen op de begeleiding en de nodige tools hiervoor. Pieter ondersteunde in de logistiek. Raimi kwam in de Timelab ploeg om de procesbegeleiding mee te ondersteunen. Hij zal later een spilfiguur worden in NEST.

17 februari komen de groepen voor het eerst na de speeddate samen per typologie. Enkel de trekkers (rode bolletjes) worden uitgenodigd. De oorspronkelijke groep van 3 februari is niet meer herkenbaar. Toch vinden de nieuwe initiatieven al snel aansluiting bij de bestaande typologieën. Dit zijn mensen die een duidelijk engagement aangaan. Iedereen krijgt een lijst met de namen van de trekkers en gebruikers van hun typologie. Zo kunnen ze zelf contact opnemen met wie er niet is. Een hele dag gaan ze aan de slag. Om 14u is er een gemeenschappelijk presentatiemoment. We hebben de 7 verdiepingen in planafdruk aan de muur gehangen. De typologieën gaan aan de slag met post-its. Iedere presentatie sluit af met een voorkeurslocatie in het gebouw.

Een eerste confrontatie doet zich voor. Het Werkhuis wil de jeugdbibliotheek, de Zetel heeft eveneens het oog daarop laten vallen. Makers vs laagdrempelige doelgroepwerking. De zetel wint het pleit. Het Werkhuis trekt zich terug op een verdiep.

We merken dat trage stappen belangrijk zijn en tegelijkertijd is concrete intekening voor iedereen een stap vooruit naar concretisering. In de debatten wordt ook steeds duidelijker waar de gemeenschappelijke waarden zitten. De Reflectiekamer met Vinie, Luc en Natalie vormt ondertussen een solide basis voor de visie. Ze beroepen zich op theoretische modellen uit de psychologie en groepsdynamica. Een veilige basis, een gemeenschappelijk doel, vertrouwen, engagement. We hebben ongelooflijk veel geluk met de talenten aan de tafel. Een lucky shot?

We concluderen dat de begeleiding heel zwaar is met 1 persoon en veel vragen. Hier moeten we een systeem voor ontwerpen. We hebben het moeilijk met de voorstelling van de ruimte en beslissen te vragen om deze sessies in de bob zelf te mogen houden.

24 februari vatten we post in het leescafé van de bib. Een nieuwe dynamiek. Het wordt concreet en dat stimueert veel kandidaten. We kunnen dromen. Een machtige plek, zoveel mogelijkheden en vooral.. Heel groot. Een opdracht. Geen 2 zinnen omschrijving van jouw typologie, noteer de trekkers en omschrijf 3 activiteiten die er plaatsvinden.

We hebben een oplossing bedacht voor de begeleiding. Iedere typologie krijgt een vlag met de naam op en een wasspeld. Deze kunnen ze op de vlag pnnen wanneer ze een vraag hebben. Groepen kunnen rondlopen, verder werken. Om 14u houden we een gemeenschappelijke sessie. Opnieuw houden we de grondplannen tegen het licht. Er wordt gediscussieerd, gedebateerd. Doorheen het debat worden opnieuw waarden en woorden fijn gesteld.

De expo komt in de verdrukking te staan. De trekkers vinden de benadering van de expo als enige plek voor de kunsten te eng. Kunst hoort zich te verhouden tot het gehele gebouw. Ze willen een opsplitsing tussen amateur en professioneel circuit.

Voor het eerst merk ik hoe sterk de basisingesteldheid van gedeelde ruimte, zoals ingesteld bij de start, nog steeds doorweegt. Iedere typologie gaat op zoek naar de meest open formule. Dat er nog geen prijssetting is en dat deze afhankelijk is van de openheid en het engagement van de typologie gaat niet onopgemerkt voorbij.

Een andere bedenking is de rol van kunst. Ik had die niet in vraag gesteld. Ik zag die inderdaad op het niveau van het beheer en niet in een expo alleen. Ik veronderstelde dat  men dezelfde waarde aan kunst toedichtte. De reflectiekamer beaamt mijn veronderstelling meteen, niemand spreekt dit tegen. Kunst heeft een plaats in het geheel. Daar moet niet voor gevochten worden..

Opvallend is dat men eigenlijk niet vraagt naar een prijs en dat vooral wij vanuit het beheer aandringen op dit snel te kunnen bepalen.

3 maart, vrijdag, we verzamelen opnieuw in de bib. Een uitgebreide mail ging vooraf aan deze bijeenkomst. Iedereen kreeg een overzicht van de stand van zaken. De typologieën zouden teruggebracht worden naar 10, tenzij er bezwaar wordt aangetekend. Deze mail ging uit naar de 140 geïnteresseerden uit het bestand. Een veel ruimere groep van trekkers en gebruikers. 3 bezwaren. Om expo terug in het leven te roepen alsook loket en geluidskamer.

We starten de dag met een presentatie van 3 projecten uit andere steden. R-urban, Kathreptis en Schieblock. Deze voorbeelden tonen enkele ambities die we koesteren. Een structuur met verschillende ‘schillen’, een charter en protocol zoals Rurban, een sterk imago en internationale verankering zoals Kathreptis en een levensvatbaarheid na einddatum zoals Schieblock.

Vervolgens lichten we opnieuw de financiële structuur en het organisatiemodel toe en zetten we de ambitie voor het weekend. Iedere typologie krijgt een schalingsbriefje om de typologieën te rangschikken van open en engaged tot gesloten en minder engaged in het geheel.

Op het einde van de dag lijken opnieuw grote stappen gezet. We merken dat iedereen meer dan verwacht met de prijssetting bezig is. Dat er eigenlijk bijna geen enkele typologie is die aangeeft geen financiële bijdrage te willen leveren. Het engagement is heel groot. De groep krijgt vorm. We houden de presentaties doorheen het gebouw. Iedere presentie sluit af met een filmopname van een trekker van de typologie. 1 minute promofilm.

Zaterdag 4 maart, vandaag. De dag dat ik beslis dat het meer dan de moeite waard was om een dagboek bij te houden. Vandaag werden de prijzen bepaald per typologie. De briefjes met de schaling gingen de mist in. Deze werden vervangen door een online enquete en in combinatie met de vraag aan iedere typologie om bekend te maken wat men denkt te kunnen bijdragen komen we tot een sluitende begroting met nog een overschot dat we zouden kunnen gebruiken voor een doel dat we samen bepalen. Permanentie, wc-papier, onderhoud, inrichting.

We hebben iets vast! Good enough for now, safe enough to try

Nadien volgen de dagen waarop het dossier vormt krijgt, waarop we de cooperatieve vennootschap Timelab lenen voor de operatie en iedereen aandeelhouder wordt.

Op een zaterdagochtend brainstorm ik met Vinie, Luc en Natalie van de reflectiekamer brainstormen over de naam. NEST, zoals het vogelnest van Charles Leadbeater waarin hij het bouwen van een NEST als metafoor gebruikt voor de logica van de contributie. Iedereen heeft een eigen takje, of meer, verschillende vormen, lang of kort, samen leggen we een nest dat van ons is, zonder te weten wie welke bijdrage precies deed, dat doet er niet toe.

Tot slot worden net voor de indiening nog andere partners gezocht. Totem, Kerk, Democrazy en Nucleo, zij hebben meer ervaring met tijdelijke invullingen en kunnen de operationele werking bijstaan. Totem en Kerk zijn onmiddellijk mee. Nucleo en Democrazy hebben terecht wat bedenktijd nodig. Zij werken op zoveel fronten tegelijkertijd. Kunnen ze dit er wel bij nemen? Gelukkig zeggen ze toe en gaan we van start met een serieus partnership van 5 partijen die ondersteuning kunnen bieden aan het beheersmodel en de operationele werking van wat later het meest waanzinnige tijdelijke invullingsproject van Gent zal worden.