Timelab en De Schuur: evenwichtsoefeningen om richting een productieve en duurzame stad te evolueren

Timelab en De Schuur: evenwichtsoefeningen om richting een productieve en duurzame stad te evolueren

De Schuur is in ruimtelijke zin een gebouw van 1800 vierkante meter dat zich op 200 meter van station Gent-Dampoort bevindt, en in culturele zin een project van de Gentse kunstenorganisatie Timelab vzw dat “wil inspireren, positieve (inter)actie uitlokken, en ruimte maken voor concrete experimenten.” Het project ontstond in 2017 als een van de vijf Terug in Omloop pilootprojecten van de Vlaamse Bouwmeester, die de mogelijkheden van stadsontwikkeling, brownfields en wijkwerk onderzoeken om richting een productieve en duurzame stad te evolueren. In dit artikel bespreken we op welke manier(en) Timelab en De Schuur proberen bijdragen aan die ambities.  

Ruimte, materialen en mensen ‘Terug in Omloop’ brengen 

Zoals hierboven al vermeld, is De Schuur een van de Terug in Omloop pilootprojecten van de Vlaamse Bouwmeester. Ann Eijkelenburg, OVAM-coördinator van het project, verwoord Terug in Omloop als “een complex project waarbij verschillende maatschappelijke uitdagingen aan elkaar worden verbonden.” Concreet wordt er nagegaan op welke manier de talrijke ‘brownfields’ in Vlaanderen - vervuilde en onderbenutte terreinen die vaak in en rond stedelijke gebieden liggen - een nieuwe, toekomstbestendige en circulaire bestemming kunnen krijgen. Naast het hergebruiken en opwaarderen van bestaande ruimte, wordt er ook aandacht besteed aan hoe het gebruik van ‘greenfields’ ontmoedigd kan worden en hoe er zuinig omgesprongen kan worden met grondstoffen en materialen. Tot slot is het ook de bedoeling dat de buurtbewoners zoveel mogelijk betrokken worden bij de pilootprojecten: deels om een collectief draagvlak te creëren en zo de projecten duurzaam te maken, maar ook omdat Terug in Omloop met hun stedenbeleid de afstand tussen ‘wonen en werken’ en ‘productie en consumptie’ zo klein mogelijk wil maken.

Na een open oproep in 2015 werd een voorstel van Timelab geselecteerd als een van de pilootprojecten. De opzet was “een labo in de pure zin van het woord, een experimenteerplek voor innovatieve circulaire bouwconcepten, veranderingsgericht en flexibel bouwen en trage sanering.” Voor dat ‘stadslabo’, dat door Timelab De Schuur werd gedoopt, had de Gentse organisatie een brownfield op het oog in de buurt van station Gent-Dampoort: een voormalige opslagplaats in de Kogelstraat. In 2017 verhuisde Timelab van hun toenmalige adres in de Brusselsepoortstraat naar het nieuwe pand, dat ze nu gevat definiëren als “een vrije ruimte, een opslagplaats voor barre tijden, een schurende plek in de stad.” Na een ontwikkelingsfase van twee jaar, gingen in het najaar van 2019 de sanerings- en renovatiewerken van start die de verontreinigde bodem zullen zuiveren en het volledige pand ter beschikking zullen stellen. De geschatte einddatum van de eerste fase van de ontwikkeling van de site is juni 2020. 

Stadslabo De Schuur

Waar Timelab vroeger vooral omschreven kon worden als een fab lab of ‘makerslabo’ (een coöperatieve werkplaats voor makers en uitvinders, het eerste overigens in België), wil het vandaag veel meer zijn dan enkel dat. Daarom ontwikkelden ze in 2015 het concept van De Schuur, een overkoepelend project waarin er concreet gezocht wordt naar een “andere manier van werken, leven, bouwen, maken en produceren in de Stad.” Binnen De Schuur is er plaats voor verschillende ‘entiteiten’, zoals Timelab ze noemt: labo’s (experimentele open labo’s, zoals het reeds bestaande Makerslab of het jongere Textiellab, aangevuld met nieuwe lokale productielabo’s, zoals Waterlab, Energielab of Materialenlab), een burenwerking (Buren van De Schuur), enkele losstaande projecten (Commons Residency, School of Commons,...) en een co-working café. Daarnaast heeft het stadslabo uiteraard ook de nodige infrastructuur ter beschikking, zoals 3D-printers en textielmachines. De centrale idee is dat de entiteiten, met de steun en coaching van Timelab, zo autonoom mogelijk opereren en dat ze onderling worden verbonden door “een gedeelde droom, circulaire energiestromen en tal van onderlinge uitwisseling.” Door de werken vinden de lab-activiteiten en de projecten momenteel enkel in de voorste ruimte van het pand plaats en is het coworking café tijdelijk gesloten. 

Belangrijk om te benadrukken is dus dat De Schuur voor het merendeel een open stadslabo is. Concreet wil dit zeggen dat iedereen die kritisch wilt nadenken over maatschappelijke vraagstukken én daar tastbare oplossingen voor wilt creëren - van (jonge) makers en kunstenaars tot freelancers en buren - welkom is in de open labo’s om aan projecten te werken en daarbij gebruik te maken van de infrastructuur. Evi Swinnen, coördinator van Timelab, is van mening dat dit systeem vaak interessante kruisbestuivingen en feedback oplevert: “Het gebeurt regelmatig dat iemand die hier aan onze werktafel bezig is met een project en bij de omzittenden even naar hun mening peilt. Die feedback krijg je thuis, in je eentje, natuurlijk niet.”

De ondersteunende en coachende rol van Timelab

Timelab definiëren, de beheerder en facilitator van De Schuur, is een minder gemakkelijke opdracht: definiëren betekent immers limiteren. Hun werking kan sinds de verhuis misschien nog het best omschreven worden als een voortdurend experiment, waarbij ze aan de hand van verbeeldingskracht, zelfreflectie en concrete acties bouwen aan het vertrouwen in nieuwe werkvormen, als bakens voor een gedeelde toekomst. Ze zoeken met andere woorden, samen met makers en kunstenaars, naar betere systemen, methodes en samenlevingsvormen en meten zich in die zoektocht een coachende en ondersteunende rol aan. 

Begrippen als ‘open source’, ‘open einde’ en ‘commons’ spelen in deze filosofie en werkwijze een belangrijke rol. Binnen de open source beweging zijn digitale data voor iedereen beschikbaar, wat, aldus Swinnen, leidt tot “een duurzaam systeem: iets is van niemand, en dus van iedereen. Bovendien draagt iedereen op zijn eigen manier een steentje bij aan het systeem. Die dynamiek wilden we vertalen naar een werkomgeving.” Open einde is dan weer belangrijk in het kader van continuïteit: de bedoeling is namelijk dat de entiteiten in De Schuur zelfstandig, zonder de ondersteuning van Timelab, kunnen voortbestaan. In de geest van de commons, tot slot, onderzoekt Timelab hoe ze de handen ineen kunnen slaan om aan een betere, duurzame toekomst te bouwen. De organisatie vertrekt daarbij vanuit een horizontale, ‘bottom-up’ structuur die ze in elk van haar projecten probeert te vertalen. Een goed voorbeeld op micro-niveau is het reeds vernoemde Makerslab, waarin Timelab en de makers de uitdaging aangaan om naast de fysieke ruimte ook het beheer, de planning van de activiteiten en de communicatie te delen. Op macro-niveau experimenteert Timelab met een gedeeld eigendomsmodel voor De Schuur, waarin het beheer van het pand verdeeld wordt onder gelijkwaardige organisaties. Momenteel deelt Timelab De Schuur met partnerorganisaties Stadslabo cvba (een cvba die ontstond in het kader van NEST), Muntuit vzw en P2P foundation vzw. 

Richting een productieve en duurzame stad

Tot nu toe is het belang van het ‘circulaire’ en het ‘duurzame’ al een paar keer naar voren geschoven. Zoals we al aanhaalden, bevindt De Schuur zich op een brownfield die onder andere dankzij Terug in Omloop gesaneerd wordt en bijgevolg een nieuwe, circulaire en duurzame invulling krijgt. Verder experimenteren Timelab en De Schuur met nieuwe circulaire systemen, waarin ze de omslag proberen maken van een ‘lineaire’ naar een ‘circulaire economie’, en delen ze hun kennis volgens het Open Source systeem. Onder een circulaire economie, of kringloopeconomie, verstaan we overigens een “systeem van gesloten kringlopen waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde zo min mogelijk verliezen, hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en systeemdenken centraal staat.” 

Om af te sluiten halen we nog twee ‘schurende’ voorbeelden aan waarin deze kringloop duidelijk naar voren komt: het Materialenlab en het Waterlab. Binnen het Materialenlab gaan de makers namelijk op zoek naar “circulaire materialen en technieken voor lokale productie, verwerking en hergebruik.” Een specifiek project waaraan er momenteel gewerkt wordt is Knotplex: een vezelplaat die gemaakt is op basis van de Japanse Duizendknoop, een invasieve plant die schadelijk is voor onze infrastructuur en ecosystemen. Ze geven de plant, die anders verbrand zou worden, een circulaire bestemming en kunnen de platen lokaal gebruiken in de verschillende labo’s. Binnen het Waterlab wordt er dan weer nagedacht over de waarde en de (over)consumptie van water en worden er modellen ontworpen om, zowel binnen het pand van De Schuur als in de buurt, water op te vangen voor hergebruik. Op hun website benadrukt Timelab dat het vooral die voorbeelden zijn, de lokale initiatieven en projecten die binnen de muren van De Schuur ontwikkeld worden en gaandeweg groeien, die bijdragen aan “de zachte globale beweging naar een positieve, productieve en duurzame stad.” 

Laure-Anne Vermaercke (2019)


Community munten en gedeeld kapitaal: Bespiegelingen over een Kunstenmunt

Wie weet is niet zozeer méér geld, maar wel ánder geld een oplossing voor de wankele financiële positie van kunstenaars en cultuurwerkers? In Kenia hielp die gedachte alvast veel landbouwdorpen een heel nieuwe adem te vinden. Met dank aan de Bangla-Pesa, een gemeenschapsmunt met een vervaldatum. Kan die ook de kunsten hier inspireren? Evi Swinnen van Timelab in Gent in dialoog met bedenker Will Ruddick in Kenia.

Lees het hele artikel hier

 


Where are you From(e)? Een verslag. 

Foto: Joe Hulbert

On the playground of the New Economy
between the yourts, the bell tents and trees
gather people with a quest for answers
and revised visions of democracy

 

 

 

 

 

 

Day One: “What happens in Frome, stays in Frome” 

Het is maandagochtend en zes semi-onbekenden – met een gedeelde interesse voor het fenomeen van de commons – verzamelen aan stadslabo en broedplaats Timelab in Gent. Twee uur rijden en een bijna gemiste ferryrit van een uur en drie kwartier later, komen we aan in de haven van Dover. Met veel moed begint ons minibusje, een grijze Opel, uiteindelijk aan de lange tocht naar het pittoreske Frome. In dit kleine Engelse dorp vindt namelijk van 16 tot 18 juli de eerste editie van Stir to Action-festival plaats: een driedaags festival dat zich profileert als A Playground for the New Economy, met niet alleen panels, interactieve workshops, participatief theater en idea surgeries, maar ook een sauna, livemuziek, openlucht filmvertoningen en craft beer. Het festival wordt georganiseerd door de drijvende krachten achter het gelijknamige STIR: een vierjaarlijks magazine dat, naar eigen zeggen, nieuwe economische alternatieven promoot en onderzoekt hoe economie, maatschappij en commons succesvol kunnen samenvloeien.  

’s Avonds in Frome aangekomen, pikken we eerst een zevende bendelid op aan het station en verkennen we vervolgens de stad. De eerste persoon die we tegenkomen – in een lange keten van interessante ontmoetingen –, is een vriendelijke Tsjechisch-Engelse local die ons uitleg geeft over het community bord system van Frome. Verspreid in de stad en omstreken staan namelijk verschillende borden waarop de inwoners elkaar en bezoekers op de hoogte houden van plaatselijke evenementen. Frome is overigens de eerste stad in Engeland waar een burgerlijst (Independents for Frome) alle bestuurszetels heeft bemachtigd. Het zaadje dat zorgde voor de omwenteling van een two-party system naar een systeem waarin de burgers aan zet zijn, werd in 2011 door Peter MacFadyen geplant. Peter had genoeg van een systeem waarin politieke beslissingen in functie van de partij in plaats van de behoeften van de mensen werden genomen en zette daarom een burgerbeweging in gang. Acht jaar later is hij niet enkel burgemeester van Frome geweest, maar heeft hij ook een DIY-handleiding geschreven om lokale politieke coups te plegen: Flatpack Democracy: a DIY guide to creating independent politics (2014). Een beter setting voor een festival dat het huidige politieke en economische systeem in vraag stelt, kunnen we ons niet inbeelden.  

Het is al donker wanneer we de (gelukkig nog openstaande) poorten van Field 725, het prachtige kampeerterrein waar het festival plaatsvindt, bereiken. Om onze Glamptent (de glamoureuze versie van een normale tent, nvdr.) te kunnen vinden, moeten we jammer genoeg eerst nog organisator Jonny uit zijn caravanbed bellen. Zo geschiedt en om een lang verhaal iets korter te maken, eindigt de eerste nacht in een plaatselijke Engelse pub met meerdere halve liters bier. Met andere woorden: “What happens in Frome, stays in Frome”.  

Foto: Joe Hulbert

Day Two: “The worst thing that can happen, is the failure to imagine”  

Dinsdagochtend sleurt de zon ons meedogenloos uit de tent: luxe of geen luxe, iedereen gelijk voor de wet van de hitte. Vele liters koffie later besluiten we om ook dit terrein alvast aan een grondige inspectie te onderwerpen. Field 725 bestaat uit een gezellige verzameling van bell tents, joerten en hutjes waarin er geglampt kan worden, ecologische toiletten en douches, een grote kampvuurcirkel, een bescheiden zwemvijver en voor de rest véél veld (meestal bezaaid met Quechua tentjes en caravans). Voor de gelegenheid staat er in een hoekje ook een kleine houten sauna, die samen met eigenaar Jem Engeland en omstreken afreist. Zoals het een echt festival betaamt, hebben de Stirrers drie ‘podia’ gecreëerd waar de debatten, workshops en lezingen doorgaan: de Sandbox Stage (een grote tent), de See Saw Stage (een iets kleinere tent) en de Merry-go-round (een joert verstopt tussen de bomen).  

De aftrap van het festival gebeurt met een introductie door de huidige Burgervader van Frome en een aantal kennismakingsrondjes, waaronder een mingle (iedereen loopt door elkaar en wanneer de muziek stopt leer je de persoon naast je kennen) en een oefening waarbij er in groepjes een slagzin bedacht wordt rond themavragen als how to learn, how to care, how to listen en how to connect. Wat meteen opvalt is dat het publiek voornamelijk uit gelijkgezinden tussen de twintig en de veertig bestaat. Het gevaar van preaching to the choir is dan ook reëel, al hoeft dat zich niet te manifesteren als er genoeg ruimte is voor debat en gezonde meningsverschillen. De namiddag komt rustig op gang met enkele inleidende workshops en lezingen, zoals Framing the New Economy (Daniel Stanley), Where next for community wealth building? (Sarah McKinley), Participatory budgetting (Peter MacFadyen, de godfather van de hierboven besproken flatpack democracy) en de launch van het nieuwe STIR-nummer, volledig in teken van het festival. Zo wordt er onder andere gedebatteerd over wat de New Economy nu eigenlijk is of zou kunnen zijn en werd de term zelf ook in vraag gesteld door het publiek. De democratische inslag van alternatieve economieën die de kop op steken, zoals bijvoorbeeld het systeem van de Bristol Pound dat mensen aanmoedigt om hun geld lokaal te besteden, is namelijk helemaal niet ‘nieuw’. Sterker nog, sommige van deze tendensen grijpen juist terug naar hoe het er in het pre-kapitalistische tijdperk aan toe ging. Er wordt dan ook geopperd dat we beter over een democratische, een solidaire of zelfs een Happy Economy zouden moeten spreken. En waarom ook niet? De hamvraag blijft uiteindelijk hoe we de huidige economieën kunnen democratiseren op zo’n manier dat het de lokale gemeenschappen ten goede komt. “The worst thing that can happen, is the failure to imagine”, om het in de woorden van een van de sprekers te zeggen. Zolang een betere toekomst denkbaar is, zal er geëxperimenteerd worden.  

Een dag als deze kan enkel eindigen met lekker biologisch eten, een veel te moeilijke Britse quiz, livemuziek en een kampvuur – en dit alles tegen het decor van een gedeeltelijk verduisterde maan. Dankzij een sterk staaltje improvisatietheater van twee gedeeltelijk kale mannen, die zich voor eventjes hemellichamen waanden, leren we dat de schaduw van de aarde hiervoor verantwoordelijk is. Conclusie: een over het algemeen zeer leerrijke eerste festivaldag.  

Foto: Joe Hulbert

 

Day Three: “Together you’re stronger, it’s that simple” 

Ook op woensdagochtend worden we redelijk vroeg door de zon uit onze tent gelokt. Echte durfallen kruipen in Jem’s Sauna en duiken vervolgens de zwemvijver in. Iets minder grote helden lezen in de schaduw een boek en drinken nog wat koffie. Vandaag is het programma veel uitgebreider dan gisteren: bijna alle workshops en lezingen overlappen, waardoor het soms moeilijk is om een keuze te maken. Het wordt dan ook schipperen geblazen tussen de verschillende podia om van zoveel mogelijk onderwerpen iets mee te pikken en om onze nieuwsgierigheid te stillen.  

De Sandbox en de See Saw Stage laten in de voormiddag niet meteen in hun kaarten kijken. Met workshops en lezingen zoals Five years later, why only one Bevy? (Ian Chambers) en Vote local, get Trump (Dan Gregory) blijft het, voor diegenen die het nieuwe STIR-nummer nog niet hebben doorgebladerd, soms giswerk wat er concreet besproken zal worden. De onderwerpen die in de Merry-go-round besproken worden, zoals Can innovation really strenghten BME communities? (Ubele) en Community capital and control (Nathan Brown), zijn dan weer transparanter en winden er geen doekjes om. Zo vertelt Yvonne Field van de BME (Black and Minority Ethnic) organisatie Ubele gepassioneerd over de projecten die ze realiseren. Een van die projecten is de Wolves Lane Community Food Hub and Market in Wood Green, een community enterprise waar locals hun gezamenlijk geteelde groenten en fruit kunnen verkopen. Ubele ondersteunt deze projecten omdat ze geloven in de kracht van het collectieve: “Together you’re stronger, it’s that simple”. Ook Nathan Brown hamert op de mogelijkheden die gecreëerd kunnen worden als een gemeenschap de (in dit geval financiële) krachten bundelt. Tijdens zijn workshop heeft hij het namelijk over community shares: een soort aandelen die enkel gebruikt kunnen worden in coöperaties of maatschappelijke organisaties. Het idee is dat elke aandeelhouder één stem krijgt en dat ze op elk moment uit het systeem kunnen stappen door hun aandelen terug te geven. Op die manier wordt er een poule van (lokale) investeerders gecreëerd die echt begaan zijn met de toekomst van, bij wijze van spreken, de pub of boekhandel om de hoek.  

Terwijl het in de voormiddag vooral rond gemeenschap en het collectieve leek te draaien, wordt er in de namiddag, met workshops zoals Decentralised decision-making (Richard Bartlett), How to thrive in a self-managed team (Nati Lombardo) en Looking after ourselves: burnout to resilience (Peter Lefort), meermaals een focus op het individuele gelegd. Coops en bottom-up organisaties draaien bijna volledig op vrijwilligers en het is dan ook belangrijk om hun noden te erkennen en grenzen af te bakenen. Dat geldt zowel voor de ‘externe’ vrijwilligers die graag een handje (of beter gezegd grote handen) toesteken, als voor de initiatiefnemers, die zeker de eerste twee à drie jaar zichzelf niet kunnen uitbetalen voor de tijd en moeite die ze in hun project steken en vaak over hun limieten gaan. Beide groepen bevinden zich in een delicate positie en worden vaak over het hoofd gezien in theorieën over bijvoorbeeld burnouts, aangezien het over ‘passieprojecten’ gaat en niet over ‘werk’ in de meest strikte zin van het woord. Peter Lefort ontkracht gelukkig die werkmythe tijdens zijn workshop door erop te hameren dat alles wat iemand doet voor iemand anders als werk beschouwd moet worden en burnout gevaren of dergelijke met zich mee kan brengen. In alle deelnemende ogen stond opluchting en verademing te lezen: een klein gebaar zoals de terminologische bevestiging van het vaak vrijwillige werk dat zij verrichten omdat ze een verschil willen maken, kan onnoemelijk grote gevolgen hebben.  

De alweer laatste avond van het festival wordt in gang gezet met Swing & Gipsy Jazz, Drum’n’Bass (waarom blijft voor ons ook een perfect raadsel?) en, u raadt het al, een kampvuur. Rond dat kampvuur worden plannen gesmeed om ons hoogsteigen commonsfestival te organiseren in België. Niet enkel wordt er laaiend enthousiast gefantaseerd over mogelijke samenwerkingen met de mensen van het STIR-magazine en over welke sprekers we zullen vragen, maar ook over welke Belgische muzikanten we kunnen uitnodigen en of er een zweethut kan komen (als variant op de sauna). Hierover echter spoedig meer. Wie overigens denkt dat een festival over politiek, economie en commons maar een saaie boel is, heeft duidelijk zijn weg niet gevonden naar de Stir to Action afterparty in de bosjes van Field 725. In een meer dan idyllische setting, tussen de bomen en onder een ritmisch opflikkerende disco- slash sterrenhemel, draaide (de in België nog niet zo bekende) deejay Beat Safari namelijk tot een respectabel uur dansbare plaatjes om onze verhitte hoofden terug af te koelen en tot rust te brengen.  

Day Four: “Time to go home, or: how we almost missed the ferry... again”  

De vierde ochtend voelen we dat er een ritme is ontstaan (koffie, koffie, koffie) en zijn we helemaal gewend geraakt aan het kampeerterrein met zijn composteerbare toiletten, openluchtkeuken en verzameling van gelijkgezinden. Alhoewel, de kou die ‘s avond in de tent trekt en ons nooit voor de eerste ochtendzon verlaat, zijn we toch niet volledig gewoon geworden en liever kwijt dan lief. Aangezien we stipt op de middag moeten vertrekken om onze ferry te halen, kunnen we jammer genoeg maar een paar workshops en lezingen meepikken van het festivalprogramma. We rapen dan ook nu al onze spullen bijeen, zodat er nog genoeg tijd over is om afscheid te nemen van de unieke mensen die we tijdens deze vierdaagse hebben leren kennen en om eindelijk een praatje te kunnen slaan met de drukbezette Peter Macfadyen en met organisator John (die we niet meer terug hebben gezien nadat we hem uit bed gebeld hadden, oeps).  

Dezelfde lange tocht als in het heengaan (met pauze in een écht Engels wegrestaurant) en, jawel, alweer een bijna gemist ferryrit later, varen we deze keer de haven van Calais binnen. Afscheid nemen duurt altijd langer dan verwacht, zeker wanneer je belangrijke ideeën uit de doeken wilt doen over internationale samenwerkingen, en ferryhavens zijn nu eenmaal ingewikkelde doolhoven waar je een punthoofd, of in ons geval een uilenhoofd, van krijgt. Op de terugweg van Calais naar Gent is aan de sfeer merkbaar dat het avontuur langzaam op zijn einde loopt, maar dat kan ook liggen aan de jetlag die we hebben opgelopen door het uur verschil tussen Engeland en België. Desalniettemin waren het vier interessante, leerrijke en grappige dagen waarin semi-onbekenden elkaar iets beter hebben leren kennen en inspiratie hebben opgedaan om nieuwe projecten en samenwerkingen te initiëren en, bovenal, te blijven experimenteren.  

 

Reisverslag door Laure-Anne Vermaercke  

 

Belgische delegatie : Evi Swinnen (Timelab), Willy Thomas (theatermaker/arsenaal Mechelen/grond der dingen), Einat Tuchman (danser) Sigrid Bosmans (Artistiek directeur Museum Hof van Busleyden/grond der dingen) en Koen Wynants (Commons Lab Antwerpen), Laure-Anne Vermaercke (student Cultuurmanagment UA)

 

Enkele links:

 

 

 


Korte keten, zero uitstoot en nul landbouwgif: de verse groenten uit de landbouwtoren in de Schuur van Timelab

Korte keten, zero uitstoot en nul landbouwgif: de verse groenten uit de landbouwtoren in de Schuur van Timelab

Landbouwingenieur Nathan De Baets studeerde in Quebec Stad, specialiseerde zich in landbouw en klimaat en woont nu met vrouw en kinderen op het platteland van Quebec. Hij werkt voor agentschappen van de Wereldbank en de VN die hij als consultant adviseert over minder emissies in de landbouw. Tegelijk ondersteunt hij start-ups als Inno-3B, een bedrijfje dat landbouwtorens of vertical farming ontwikkelt. “Toen ik hoorde dat Timelab De Schuur aan het opzetten is, zagen we beide een kans: een modulair opbouwbare landbouwtoren in Gent.” We vroegen Nathan hoe één en ander werkt en wat slimme, klimaatneutrale stadslandbouw ons te bieden heeft.

Toen Nathan nog in Gent woonde, was hij kind aan huis bij Timelab. “Ik ben graag met mijn handen bezig, dus het FabLab-idee was geknipt voor mij. Het was mijn eerste kennismaking met een makerspace. Ik onderzocht er bijvoorbeeld hoe je de kunststof van snowboards – hoge densiteit ethyleen - recupereert. Daaruit kwamen andere projecten voort. Ik heb er twee interessante jaren beleefd.” Slimme landbouw is de kernexpertise geworden van Nathan De Baets. Hij werkt al een viertal jaar samen met Inno-3B, een start-up van een vriend die technologie ontwikkelt voor verticale landbouw. “Broeikas uitstoot van landbouw is dankzij onze installatie veel kleiner en beter opvolgbaar. Dat zou heel wat belangstelling moeten opleveren.”

       

Inno 3B noemt zich een generator of agro-technology adapted for various applications in response to today's environmental challenges. Klimaat en landbouw worden in één adem genoemd.

“Onze verticale landbouwtoren is ontworpen voor de intensieve groententeelt op een manier die milieu en klimaat minimaal belast. Hij bestaat uit op elkaar gestapelde laden tot 20 meter hoog. Die belichten we met LEDS. Op hun beurt koelen we die met water. Dat opgewarmde water garandeert een constante temperatuur. Het hele principe draait op hernieuwbare energie. Daarbij komt dat de productie-unit dicht bij de consument ligt: het basisprincipe van de korte keten. In steden en in dichtbevolkte buurten is een landbouwtoren daarom extra interessant. Daardoor daalt de CO²-uitstoot maar je halveert ook de voedselverspilling omdat je minder  distributiekanalen nodig hebt.”

De grootste winst: veel lagere emissiecijfers van broeikasgassen dan in traditionele landbouw.

“Meststoffen in bodems stoten veel stikstof uit, zeker bij overbemesting. Telkens wanneer je je veld omploegt, leidt dat tot nieuwe emissies. In een landbouwtoren is 15 keer minder meststof nodig dan in een open landbouwomgeving. Er is nauwelijks verlies. In een open omgeving verdwijnen meststoffen in de lucht en het grondwater. Net daarom wordt er veel meer bemest dan de grond nodig heeft. In een landbouwtoren wordt alle meststof opgenomen door de gewassen, het water trekt niet in de grond én je kan het sowieso 100 procent zuiveren. Het hele proces is beheersbaar. Ook op het vlak van landbouwgif is ons systeem zuiver. Er zijn geen bestrijdingsmiddelen nodig omdat er geen externe bedreigingen zijn voor de gewassen. En ten slotte kan je elk geoogst gewas traceren.”

“De meeste bladgroente die we verbouwen is afkomstig uit warmere klimaten. Voor een groot deel komen in onze streken die gewassen dus uit serres. Die worden in Europa minstens voor een deel verwarmd met fossiele brandstoffen. In onze installatie schakelen we zoveel mogelijk over naar hernieuwbare energiebronnen zoals geothermie, zonnepanelen en windenergie. Daardoor boeken we in onze ecologische voetafdruk ook energiewinst in vergelijking met commerciële serregewassen. De totale ROI – return on investment - van een landbouwtoren is bovendien beter dan traditionele landbouw. Het grote struikelblok blijft de investeringskost: zo’n toren plaatsen is duur.”

Maar jullie Canadese pilootproject is een voorbeeld voor de financiering van vertical farming voor en door een lokale gemeenschap.

“Ik woon op vier uur rijden van Quebec in een dorp waar weinig jongeren zijn overgebleven”, zegt Nathan De Baets. “De kerk van Saint-Pacôme wordt eigenlijk niet meer gebruikt, maar is wel een kostenpost voor de gemeenschap: verwarming, verzekering … er waren zelfs plannen om hem af te breken, maar de parochie deed een projectoproep om er een nieuwe bestemming voor te vinden. Mijn zakenpartner Martin Brault, de hoofdaandeelhouder van Inno-3B, en ik zagen de kerk als een ideale plek voor vertical farming. Zo hoefden we niet zelf ergens een gebouw op te trekken. Wij hebben het gebouw dan gekocht en zijn het nu technisch aan het aanpassen met betongietvloeren, nieuwe elektriciteitsleidingen en waterafvoer. Vanaf juni 2019 bouwen we de installatie op. We streven naar een productieoppervlakte van 1400 m².”

“Tegelijk maken we er een gemeenschapsproject van. De inwoners van Saint-Pacôme hebben een vzw opgericht, Le Jardin Du Clocher, om onze technologie aan te kopen en die zelf uit te baten. We willen er samen met hen een lokale economische motor van maken die inkomsten genereert voor de gemeenschap, jobs creëert en zo een aanzet geeft om het dorp weer aantrekkelijker te maken voor wonen én werken. Saint-Pacôme is alvast één rurale gemeenschap die we met zo’n innovatief ecosysteem wat nieuw leven kunnen inblazen.”

Waarom zijn jullie er zeker van dat het verdienmodel zal werken?

“De groenten zijn écht vers en lokaal geproduceerd, in tegenstelling tot wat er wordt ingevlogen uit Florida, Californië of Mexico. Dat is oogst uit grootschalige commerciële landbouw. Wij willen lokaal verkopen aan consumenten maar ook aan restaurants, scholen en ziekenhuizen. Ook in de vorm van gemixte salades met bijvoorbeeld rucola. Vooral daarin zit toegevoegde waarde. Voor een fastfoodrestaurant is het een verkoopsargument dat die groenten just-in-time geleverd worden én lokaal geproduceerd zijn.  Als vzw mag je geen winst maken, dus Le Jardin Du Clocher gaat de winst herinvesteren in de gemeenschap via gemeenschapsprojecten. Leuk is dat de kerk als cultureel erfgoed blijft bestaan en dat er 25-tal mensen aan de slag kunnen om die microgroentjes en kruiden te kweken en verkopen.”

Hoe kun je het platteland van Canada vergelijken met de Gentse Dampoortwijk? Zal jullie verdienmodel ook werken in De Schuur? Gent telt in vergelijking met Saint-Pacôme wél al heel wat korteketenleveranciers.

Klopt”, beaamt Nathan. “Op energievlak kunnen we in Canada bijna volledig rekenen op hernieuwbare energie uit waterkracht. Bovendien recupereren we energie in het systeem: de torens worden verlicht via een LED-systeem waarachter water stroomt om de LEDS af te koelen. Dat water neemt 70 procent van de warmte van de LEDS op. Daarmee verwarmen we via eencentraal verwarmingssysteem de kerk met water van ongeveer 40 graden. Die warmte en energie opslaan blijft wel een technische uitdaging: in de zomer hebben we een energie-overschot, ‘s winters een tekort. Dat wordt ook de uitdaging in België waar de deels afhankelijk zijn van niet-

hernieuwbare energie. Nog zorgvuldiger met energieverbruik omgaan is het antwoord. Technisch blijft de insteek in De Schuur wel vergelijkbaar met de kerk: er moet bijvoorbeeld extra geïsoleerd worden. Omdat het een start-upproject is, kijken we uit naar financiering. Omdat Timelab een stadslabo is, proberen we om de hoofdaandeelhouder van Inno-3B te overtuigen de installatie te plaatsen als demo-unit voor Europa én als lab om het energie-aspect van vertical farming te bestuderen. Zijn zonnepanelen of geothermie de oplossing voor onze regio? Hoe kunnen we die energie het beste omzetten? Timelab heeft daar heel wat expertise voor in huis. Er is al een onderzoeker actief die ook microgroentjes produceert. Die willen we graag mee aan boord. De schaalgrootte is nog wel een issue: hoe groot moeten de torens zijn om het gebouw te kunnen verwarmen? We moeten ook nog uitzoeken hoe groot de vraag naar onze groenten wordt. In Gent bestaan al heel wat korteketenleveranciers. De businesscase moet dus nog op punt gezet worden. En misschien kunnen we ook andere gewassen kweken die als grondstof voor materialen bruikbaar zijn in de andere labo’s van De Schuur. Zo is er het makerslab, maar binnenkort ook een Textiellab, materialenlab en een waterlab. Met onze installatie vullen we dit rijtje aan op vlak van energie en productie van gewassen. Op het vlak van community building in de Dampoortwijk zie ik wel mogelijkheden. Timelab is een drijvende kracht achter duurzame stadsnetwerkopbouw, Gent is een voortrekker op het vlak van klimaat, stadslandbouw en korte keten. Onderzoek, innovatie en een werkbaar businessmodel kunnen er zeker samengaan.”

 


Van invasieve exoot tot bouwmateriaal : het verhaal achter knotplex

Makerslabo’s schieten als paddenstoelen uit de grond. Met de lasercutter worden hier dagelijks nieuwe prototypes gemaakt. Meestal gebruiken we MDF als goedkoop en wendbaar basismateriaal. Deze platen bestaan voornamelijk uit lijm en houtmeel, en de overschotten zijn niet recycleerbaar. De impact is enorm zowel op de mens als planeet, op de slijtage van de machine en het makerslab zelf.

Met Knotplex willen we hier verandering in brengen. Dit plaatmateriaal bestaat voornamelijk uit maaiafval van de exotische, invasieve Japanse Duizendknoop. Vooronderzoek wees uit dat zowel warme als koude productieprocessen behoorlijk goede resultaten leveren bij het lasercutten... Maar de samenstelling kan nog beter! We zoeken het ideale recept: minimale ingrediënten en energieverbruik, maximaal gebruik van het maaiafval. Dat is de uitdaging van dit citizen science project.

Burgerwetenschappen in de onderzoeksfase van een productontwikkeling. Hoe gaat dat in z'n werk?

  1. Haal een starterspakket op en ga zelf aan de slag.
  2. Test het procedé en de samenstelling, en
  3. deel je onderzoeksresultaten met de community.
  4. Breng je testplaten binnen in het makerslab van Timelab en onderwerp ze aan de ultieme lasercut test.

Heb je het ideale recept gevonden, dan wacht jou een mooie beloning: een liter Ginderella, de lekkerste gin van't land op basis van dezelfde plant.

Een project met de steun van Vlaio en de Koning Boudewijn Stichting.

meer info: knotplex.org


Reshaping the Residency Program as a Commons

A community of artists, called Sprinters

Former residents and people from Timelab’s broader artists network have gathered occasionally over the years. This includes a diverse group of people from academics, designers, neighbours, to activists, engineers and policy makers.  Since spring 2017, they were invited to take part in the yearly Sprint. We call them Sprinters.

The ‘Sprint’ is a concept first used in open source software development. A book publishing sprint is an intensive live work session to decide on the updates to be released in the next edition. What has been done in the past year? What can be evaluated as a positive contribution?What is good enough to be integrated into the core system? The sprint ends with a release of the new version that can be used by the whole community of users. The group of sprinters in Timelab releases new concepts to be implemented and tested over the following year. It opens up new opportunities for a bigger group of stakeholders.

The Sprinters are in charge of conceptualising, implementing and evaluating different activities that support the livelihood of the group and create a generative network of committed artists. In 2019 these events are the Sprint (Feb), Introduction Week (June), Residency (Oct-Dec), Evaluation Week (Dec). They decide on the selection procedure of the residents and the allocation of the budget with those residents.

Current and founding Sprinters are Rasa Alksnyte, Z. Blace, Vanessa Brazeau, Marc Buchy, Stefan Klein, Andrew Paterson, Gosie Vervloessem

The group of sprinters is well defined, with clear boundaries, but is not a closed group. The group grows through the spiral process of onboarding.

As a community, Sprinters have a set of unique rights and duties.

  • As a group, they decide on activities and processes.
  • They get a substantial budget allocated by Timelab to work with.
  • They get access to a basic income when they commit to becoming one of the yearly buddies for new residents.
  • They engage to follow up on agreements with partners and Timelab on, for example, reporting, documenting and logistics.
  • As part of the Trinity, they prepare and follow up on the organisation of events such as the Introduction Week, Evaluation Week and Yearly Sprinters Event.

They agree on the shared values and dream of the Network of Communities:

  • Share knowledge and expertise with peers
  • Produce locally, reproducibly and repairably; or do not produce
  • are open to dissonance and invite new perspectives
  • always look for flexible and adjustable systems
  • Identify complementarity beyond differences
  • strive for mutual contribution and equity
  • connect and strengthen by free contribution
  • create trust and safety by relying on peers

 

Being a Sprinter, the artist as a researcher fosters a lifelong engagement to exercise humankind as a whole (Schafaff, 2018, Commonism, A New Aesthetics of the Real, p 345) that will encourage and support others to experiment with a different life. Not only as a concept, but as a practical guide to a sustainable livelihood.

Supported by a network of professionals providing feedback, called Reflectors

The sprinters take care of a reflection board to give feedback and be critical challengers of their creations. From time to time they produce written comments and various forms of reflection.

Agree on temporary roles for organisers, called Buddies and the Trinity

Within the group of Sprinters, there are specific roles being designed. The Trinity is a group of 3 that is accountable for organising the events. This is a paid, assigned job.

The Buddies are there for the all-round support of new residents. They are connected to the residents at the end of the Introduction Week through an organic pairing process depending on the connection that develops between sprinters and residents. Once a Buddy, the Sprinter can rely on a basic income for that year.

Create interdependence within a network of communities

The community of sprinters is an autonomous group working within the mutually agreed guidelines of the organisation of Timelab.  It is one of the communities of the network of communities in Timelab. Other groups are makers, neighbours, coaches, and reporters.

Hosted in a physical space: De Schuur

Most of the activities are centred around the physical space in the Dampoort Neighbourhood in Ghent. This 1800 sqm renovated industrial heritage building is an open space where the network of communities of Timelab become visible and interact.

The mission and vision of De Schuur is:

De Schuur is an independent non-profit initiative that seeks to inspire, foster positive (inter)action, and give room to practical experiments.

To achieve this, we are developing a new space in the city of Ghent.

In this urban laboratory, we peer between and beyond systems. We enable constructive experiments, local ingenuity and activities that contribute to the soft global movement towards a more positive and sustainable city.

We are a community of communities, each with its own game rules, activities, and flavour. But we share the dream, the space, and the vision of De Schuur.

Organise an artistic research residency as part of a spiral process to enter the community

As the mission of Timelab is ‘giving Time, Space and Reflection for a society on the move’, the residency program provides time and space. It is however not intended for for isolation, contemplation and creative soul-searching. Located in the heart of the city of Ghent, the experience is  one of inevitable connection with the environment and social context. Here, supporting the need for unpressured, concentrated time and space, enables creating trusting relationships with every being encountered. The defined time period invites exploration, inspiration and learning new skills. It welcomes the mutualising of resources and enabling of encounters amongst the communities, visitors and participants.

Apart from the autonomous position of the artists, there is a strong connection to the group of artists based on the relationship with their buddies. The resident-to-be will learn about the system and the purpose of the residency program as a spiral process of onboarding.

This onboarding process begins with the selection of a long-list of artists recommended by the group of sprinters. The sprinters discuss their reasons for their recommendations and a group decision is made for a short-list of artists. These are invited to an Introduction Week organised by the Trinity, during which they will co-define and discuss the program, timeline and budget of the residency period in the fall. If a selected artist does not wish to take part in the residency after this process, they are offered a fee for their participation in the Introduction Week and free to decline their participation. Buddies are introduced and connected to each resident. During the 3 month residency, artistic research is conducted by all residents, individually or as a group. At the end of this period, an Evaluation Week takes place, in which the Artists, Buddies and some invited Sprinters and Reflectors evaluate the possible onboarding of the residents. The onboarding is officially finalised by the onboarding process during the Spring Sprinters Event in February.

Roles

Sprinters A group of artists gathering every year to ‘Sprint’, this is evaluating the last year and setting outlines for the next year. This closed group grows through the residency program and has a specific set of rules, duties and rights.

Reflectors Reporters and commentators that produce texts, pictures, video and any other medium needed to capture the process and questions that rise during the process.  

Buddies A group of sprinters selected based up on the needs of the residents.

Trinity A group of 3 sprinters that organise a yearly introduction week.

Residents Selected group of artists entering the onboarding program by a 3 months residency.

Board A network of external eyes to give feedback and challenge the sprinters.

Key terms

Commoning The social practices used by commoners in the course of managing shared resources and reclaiming the commons. The term describes ways of bringing people together to activate the power of social cooperation to get things done for the greater good. Commoners live in close connection to shared resources. Urban commons are those shared resources that are managed and maintained by a well defined group of commoners, led by their own rules. (more reads: David Bollier, Michel Bauwens)
Artistic research Artistic research means that an artist produces an art work and researches the creative process, thus doing fieldwork and adding to the accumulation of knowledge. The knowledge that artistic research strives for is a felt knowledge. This research is not necessarily only carried out by an artist.  The attribute artistic describes the making of a mode of artistic experience. Deliberately adaptive and fluid in its forms and principles, artistic research is an established term in higher education since the 1990s. (More to read: Florian Schneider, Commonism, New aesthetic of the real, 2018)
Spiral process The spiral is an open ended form of natural movement.  Created by the irrational number called Pi. The protocol stays the same, but the flow changes by every circle. the spiral process explain the way the yearly circles of onboarding new Sprinters leads to a growing amount of people and reciprocal interactions.
Onboarding the process of integrating a new member into an organization and its culture to acquire the necessary knowledge, skills, and behaviours to become effective as an insider; also known as organizational socialization.  The most commonly used strategy is creating and following a checklist. Origin: The word came into existence in the 1970s, and gained popularity in business circles in the last decade.
Residency Artist-in-residence programs give creative practitioners time and space away from their usual environment and obligations. They open space and time for reflection, research, presentation and/or production.  Residency opportunities for artists, academics, writers and curators have existed since the 1980s. (More to read: P. Gielen, Nico Dockx)

De architect als ruimte-regisseur - Frederique Hermans (A2O architecten)

De architect als ruimte-regisseur

Frederique Hermans (A2O Architecten)

De rol van de architect verandert. Als eenzame behoeder van de stad hebben wij hem niet meer nodig. Dat past niet meer in onze democratische en continu veranderende samenleving. Het geeft ons geen antwoorden op de complexe vraagstukken van vandaag.

Architectuur is overal, er is geen ontsnappen aan. Het bepaalt hoe wij wonen, werken en samenleven. Architectuur is welzijn. Het bepaalt in grote mate onze ecologische voetafdruk, onze gezondheid en misschien zelfs ons geluk. Maar architectuur is ook cultuur. Het geeft een gezicht aan onze geschiedenis en is een spiegel voor onze dromen voor de toekomst. Daarom is architectuur van iedereen.

Welkom aan de regisseur. Hij stelt zich ten dienste van het ruimtelijk gemeengoed door er zelf deel van uit te maken. Hij gelooft in ontwerp als een interdisciplinair en co-productief platform waarbij elke betrokkene, vanuit zijn eigen leefwereld, een verrijking is voor het eindresultaat. Met het vermogen om over de grenzen te kijken en met een open blik op ruimtelijke transformaties, treedt hij op als ruimteregisseur bij uitstek.

Met Ruimte tonen we aan de hand van casestudies hoe een gemeenschap samen architectuur kan maken en de zeggenschap over zijn omgeving kan terugeisen. De regisseur neemt hierbij zijn nieuwe rol in als facilitator en moderator. Met dit verhaal reflecteert Timelab over haar ambitie als voortrekker in de coproductie van de bebouwde omgeving.


NEST als een commons : Michel Bauwens en Evi Swinnen in gesprek

Op een vroege zomerdag, rond de middag, staan de terrasdeuren in het leescafé van de oude stadsbibliotheek op het Gentse Zuid open. Het geroezemoes van de gasten buiten vermengt zich met het rustige ritme van de muziek in het nieuwe café, Bar Wilson. Op de drankkaart: lokaal bier, biolimonade en heerlijke koffie.

Meer dan zeventig initiatieven bundelden zich om een nieuwe, tijdelijke invulling te bedenken voor de voormalige stadsbib. Daarmee gaan ze niet alleen leegstand tegen, maar joegen ze ook ook een wind van vernieuwing en jeugdig enthousiasme over het grote plein van het Gentse Zuid.

Rond een tafel in de bar op de eerste verdieping van de oude stadsbib, op opmerkelijke houten stoelen, tref ik Evi Swinnen en Michel Bauwens. We spreken elkaar over burgers die samen het heft in handen nemen. We bevinden ons in het commonsproject NEST, de naam van tijdelijke invulling van de oude stadsbib. NEST is een voorbeeld van hoe burgers open ruimtes in steden meer en meer zelf een zinvolle invulling geven.

Evi Swinnen is de motor achter Timelab, een open kunstenwerkplaats in Gent waar creatievelingen, activisten en technologiefans samenwerken aan projecten met een meerwaarde voor de samenleving. Swinnen bouwde ervaring op in het begeleiden van samenwerkingsprocessen. Vanuit die achtergrond voorzag ze ondersteuning die de organisaties van NEST hielp om zich ‘horizontaal’ te organiseren en samen beslissingen te nemen.

Michel Bauwens is visionair denker en transitiecoach. Hij is oprichter van de P2P Foundation, die onderzoek doet naar horizontale peer to peer-netwerken en -praktijken. Hij staat bekend als internationale pionier in het domein en voert een netwerk aan van onderzoekers rond commons en peer-to-peer. Bauwens schrijft, geeft workshops en lezingen, en werkt vooral in het buitenland. In 2013 verscheen zijn boek ‘de wereld redden’. Van maart tot mei dit jaar onderzocht Bauwens in opdracht van de Stad Gent de commonsprojecten in Gent en hoe de stad die burgerinitiatieven kon versterken. De resultaten kwamen terecht in een Commons Transitie Plan, dat in juni verscheen.

We hebben het over hoe burgers zélf verantwoordelijkheid opnemen voor plekken in de stad. En waarom het goed is dat burgers er hun eigen ding van maken.

We zitten hier in NEST, een echt commonsproject. Tientallen mensen en organisaties beslisten samen over de nieuwe invulling van de oude stadsbib. Om goed te begrijpen wat er zich hier de laatste weken en maanden heeft afgespeeld, is het belangrijk om te begrijpen wat ‘commons’ nu eigenlijk zijn. Wat houdt dat precies in, commons?

M.B.: “Commons - letterlijk ‘gemeenschappelijke dingen’ - zijn hulpbronnen (resources) waar alle leden van een groep gebruik van mogen maken. Typisch is dat niemand eigenaar is, en daarom heeft ook niemand het alleenrecht om iets aan de commons te veranderen. Beslissingen worden gedragen door alle leden die aan de commons bijdragen. In grote lijnen bestaan er vier types ‘commons’, met als factor van onderscheid of ze tastbaar of immaterieel zijn, en of ze overgeërfd of nieuw gemaakt zijn.”

“Een eerste type commons zijn de natuurlijke hulpbronnen, zoals lucht of rivieren. Die zijn toegankelijk - of zouden dat moeten zijn - voor alle leden van de samenleving. Dit type commons is ‘overgeërfd’. Een tweede type commons zijn overgeërfde immateriële commons, zoals taal of cultuur. Niemand is eigenaar van een taal, of kan bijvoorbeeld op eigen houtje beslissen om de grammaticaregels te veranderen.”

“Een derde type commons is ‘nieuwe’ kennis die samen gemaakt en gedeeld wordt via open source. Wikipedia is daar het meest bekende voorbeeld van, of Linux-software. Tenslotte heb je de materiële commons die door één of meer mensen werden gemaakt en/of gebruikt. Denk aan cohousing, open werkplaatsen, gedeelde machines.”

E.S.: “Materiële commons staan centraal bij stedelijke commonsprojecten, zoals NEST. Die zijn van nature lokaal verankerd - anders dan bij gedeelde kennis, zoals Wikipedia, waarvan de auteurs zich overal ter wereld kunnen bevinden. Materiële commons worden gedragen door een gemeenschap, de bijdragers kennen elkaar. Het groepsgebeuren is er erg belangrijk. Groepen die samen commons beheren, doen dat doorgaans door een set van regels af te spreken waar iedereen die gebruik wil maken van de commons mee akkoord gaat. Dat kan gaan over de verdeling van de uren permanentie in een plek als NEST, of over de verdeling van de opbrengst van een stadslandbouwproject. Hoewel commons binnen de wet opereren, zijn ze relatief onafhankelijk van de overheid en de markt.”

Michel, in 2013 schreef je een boek met de ambitieuze titel ‘de wereld redden’. Daarin hield je een pleidooi voor mensen om als gelijken samen waarde te creëren, zonder daarvoor toestemming te moeten vragen bij een overheid. Je ziet de commons als een oplossing voor de grote problemen die onze tijd stelt, bijvoorbeeld klimaatopwarming of grondstoffenschaarste. Zijn commons echt zo krachtig?

M.B.: “Eén van de troeven van commons is dat ze ingaan tegen een problematische manier van omgaan met de wereld. De manier waarop de meeste mensen vandaag leven en produceren, noem ik ‘extractief’ - we halen grondstoffen, voedsel en zoveel meer uit de grond. Dat heeft als gevolg dat we de aarde armer achterlaten dan hoe we hem vonden. Maar de problemen die de verarming van onze leefomgeving met zich meebrengen, worden ondertussen niet in rekening gebracht. Dan bedoel ik bijvoorbeeld de milieueffecten van het vervuilende overzeese transport van made in China-producten. Op dit moment is er niemand die verantwoordelijkheid opneemt voor die vervuiling, terwijl de rekening zich al presenteert, via klimaatproblemen. Die extractieve manier van werken zorgt ervoor dat we onszelf - en de toekomstige generaties - grondig in de nesten werken.”

“Door met commons te werken, breek je met die denkwijze. Mensen die samen verantwoordelijk zijn voor een gedeelde eigendom, kiezen vaak voor de oplossing die op de lange termijn positief uitdraait. Wanneer groepen mensen een een boerderij opstarten, is winst niet het belangrijkste, maar wel de educatieve waarde of het plezier van samen in de aarde te wroeten, of de band met de natuur. Groepen mensen die samen een product ontwerpen hebben ook geen voordeel aan ingebouwde veroudering of verplichte updates, zoals dat gebeurt bij bijvoorbeeld onze smartphones. Binnen commons gedragen mensen zich socialer en duurzamer.”

“Commons verschillen grondig van het huidige marktdenken,” stelt Bauwens. “Ik noem ze ‘generatief’, omdat ze de gemeenschap meer opleveren dan er wordt uitgehaald. Typisch investeren groepen via commons ook in de sociale of culturele ontplooiing van de groepsleden. Mensen leren elkaar technieken, muziek of kennis aan, en commons leiden erg vaak tot nieuwe samenwerkingen. Het zijn plekken van kruisbestuivingen.”

“Maar ook economisch leveren commons de groep vaak iets op. Winst van commons verdwijnt doorgaans niet gemakkelijk via multinationals naar het buitenland. In de voedingssector is de overgang naar lokaal produceren al duidelijk ingezet - denk maar aan paddenstoelenkwekerijen op koffieafval of lokale boerenmarktjes die je in de steden ziet opduiken. Maar volgens mij is het potentieel van lokaal produceren niet beperkt tot de voedselketen,” zegt Bauwens. “Ik geloof dat we tot 80 procent van de producten die we nu van de andere kant van de wereld overvaren, opnieuw in de gemeenschap kan worden geproduceerd.”

Commons werken dus generatief, terwijl het huidige economische systeem extractief noemt. Ligt het probleem dan bij het kapitalisme?

“Het kapitalisme is gewoon een systeem met erg veel nadelen,” verklaart Bauwens. “Maar wat je fanatiek bestrijdt, versterk je ook. Daarom kiezen we er strategisch voor om in te zetten op de alternatieven, de commons dus. Bij het kapitalisme is economische winst belangrijker dan sociale, culturele of ecologische winst. Dat lijkt me op termijn niet houdbaar. Ik ben ervan overtuigd dat, als het kapitalisme vandaag wil overleven, het én groener moet worden, én commons nodig heeft. Maar beide systemen gaan zeker een tijd samen moeten functioneren, en dat kan volgens mij ook prima. Het commonsmodel zal op de lange termijn wel voordeliger blijken.” (lacht)

Michel Bauwens werkte de voorbije maanden in opdracht van Stad Gent aan een rapport over de mogelijkheden van Gent als Commonsstad van de toekomst. De steun van de lokale overheid hebben jullie. In een gemeenschap gericht is op commons, zien jullie de rol van de overheden evenwel radicaal anders dan vandaag. Jullie pleiten voor de transformatie van de huidige sturende rol naar een ondersteunende rol. Hoe zien jullie dat precies?

“Het grootste deel van de mensen die vandaag op aarde rondlopen, woont in steden,” zegt Swinnen. “Die steden worden geconfronteerd met problemen als bevolkingsdruk of verloedering. In heel wat steden zie je als antwoord daarop vormen van stedelijke commons opduiken. Mensen organiseren zich om hun stad duurzamer en inclusiever te maken - zoals hier bijvoorbeeld gebeurt met de energiecoöperatie EnerGent.”

“Maar niet alleen in Gent komen de burgers met oplossingen,” licht Swinnen toe, “ook in Barcelona waar burgerbeweging En Comú - die momenteel de burgemeester levert - de stad weer leefbaar wil maken door onder andere het massatoerisme in te perken. Of Frome, een Brits stadje, dat geldt als voorbeeld van een democratie waar de klassieke politieke partijen het beleid niet meer voeren, maar burgers zelf. En er is Bologna, een de stad die een concrete regelgeving uitwerkte rond hoe burgers en overheid samen gedeelde plekken in de stad kunnen beheren.”

“We geloven in een ‘partnerstaat’, een overheid die groepen geëngageerde burgers ondersteunt,” vult Bauwens aan. “Die burgers krijgen dan een grote mate van autonomie en dragen verantwoordelijkheid voor hun projecten. Dat betekent dat de politiek die we nu kennen op bepaalde vlakken ook overbodig wordt. Wanneer een plein wordt heraangelegd, kan de overheid de plannen voor het ontwerp en de invulling ervan voor een groot deel uit handen geven aan de buurtbewoners. Politiek moet zich op sommige vlakken ook overbodig wíllen maken. In Gent zien dat al hier en daar gebeuren. Dat vind ik fantastisch.”

‘Ruimte’ geven aan commons lijkt wel cruciaal?

Bauwens: “Absoluut, da’s een eerste stap in de goede richting. Er zijn drie grote manieren waarop een stad commons kan ondersteunen. Om te beginnen door infrastructuur aan te bieden, zoals braakliggende gronden of leegstaande panden. Een andere, grote steun is startende commonsprojecten te versterken, via bijvoorbeeld een incubator - daar bestaan al goede voorbeelden van, zoals de Sociale Innovatiefabriek, een organisatie gevestigd in Brussel die projecten in de sociale economie ondersteunt. Een incubator zorgt ervoor dat startende projecten makkelijker inzicht krijgen in de mogelijke organisatiestructuren en strategieën - daardoor moeten ze niet allemaal, wat ontzettend vermoeiend is.”

“Tenslotte kan de stad een overkoepelende organisatie ondersteunen die specifiek als bemiddelaar kan optreden tussen de commons en de stedelijke overheid. In ons Commons Transitie Plan noemden we die organisatie ‘Stadslabo’,” licht Bauwens toe. “Die kan commonsgroepen juridisch ondersteunen, of op vlak van infrastructuur. Het is een koepelorganisatie die experimenten begeleidt én erover reflecteert. En door over de grenzen te kijken houdt de organisatie de vinger aan de pols van de internationale commonsbeweging, waardoor ze kan bijleren van buitenlandse ervaring. Met zo’n ondersteunings- en reflectieorganisatie kunnen commonspraktijken in de stad zich zo blijven heruitvinden en blijven gedijen in een wereld die continu in verandering is.”

“Doorheen het onderzoek de afgelopen maanden merkte ik op dat de Stad de voorbije jaren al heel wat samenwerkingen met commonsgroepen heeft opgezet,” vertelt Bauwens. “Een voorbeeld is het project ‘lunch met LEF’, dat betaalbare lokale, ecologische en faire warme maaltijden in scholen organiseert. In ons rapport stellen we manieren voor om de samenwerking tussen commonsgroepen en de Stad optimaal te laten verlopen - we noemen ze publiek-sociale akkoorden of commonsakkoorden. Zo’n akkoord, zoals het in Bologna al bestaat, regelt de wederzijdse samenwerking rond bepaalde projecten. Wat er gebeurt in Barcelona, Frome en Bologna toont aan dat verschillende stadsbesturen op diverse manieren mee op de kar van de commons kunnen springen. Misschien ontbreekt net dat vandaag nog wel in Gent, die open, internationale blik.”

Een gedeelde invulling van een publieke ruimte, op zo’n grote schaal, dat hebben weinigen jullie voorgedaan. Misschien geldt NEST, het project in de oude stadsbib, zo’n beetje als de grote vuurproef voor het commonsdenken in de praktijk.

“Dat kan je zo wel stellen,” zegt Swinnen. “We zijn NEST nu al enkele maanden aan het uitbouwen met een groep organisaties van de meest diverse insteken en overtuigingen. Sommige dingen verliepen goed, op andere vlakken hebben we fouten gemaakt waaruit we belangrijke lessen moesten trekken, Maar we zijn behoorlijk trots op wat we samen bereikt hebben.”

“Wat de volgende maanden brengen blijft onzeker, zegt Swinnen, “alle beslissingen worden immers in groep genomen, zonder leidende figuur of uitgetekend businessplan. Maar de kruisbestuivingen die nu al ontstonden tussen de NESTbewoners en de kleine successen maken het alvast een ongelooflijk interessant en geslaagd experiment.”

“De kennis en de ervaringen van de voorbije maanden gaan we de volgende weken en maanden delen met de wereld. Er verschijnt een tweetalig boek in het Nederlands en Engels, dat vol staat met organisatietools en getuigenissen, en we organiseren een groots commonsfestival in NEST,” vertelt Swinnen. “We delen nu al heel wat kennis via allerlei online kanalen. Facebook, onze wikipagina bij de stad Gent en de P2P-wiki’s spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast werken we met P2P Foundation aan een leerplatform.”

“Door onze kennis te delen, hopen we dat alle burgers die er zin in hebben, op de meest diverse locaties er hun ding mee kunnen doen,” licht Swinnen toe. “NEST is een symbolische naam. In het nest zit een ei, later dit jaar zal er een jong uitvliegen. We hopen een eitje uit te broeden van het commonsdenken, door te laten zien wat je als georganiseerde burgers samen kan bereiken. Door onze praktijkvoorbeelden en ervaringen te verspreiden, hopen we dat burgers uit andere steden met onze experimenten en op basis van onze ervaringen zelf aan de slag gaan. In de overtuiging dat dat leidt tot een ongeziene stroomversnelling binnen de internationale commonsbeweging.” (lacht)

 

***

 

Het gesprek is afgelopen, de muziek speelt rustig door. We schuiven onze opmerkelijke houten stoelen naar achteren en verlaten we het café. Michel Bauwens haast zich naar een volgend interview, de volgende dag reist hij door naar het andere halfrond van de planeet.

 

De stoelen zijn Italiaans ontwerp, van Gentse makelij. Ze werden getimmerd volgens de handleiding van Enzo Mari’s Sedia Uno, een ontwerp uit 1974 waarbij je zonder snijverlies een stoel efficiënt uit een houten plank zaagt. IKEA, maar dan in open sourceversie. De stoelen werden in de bibliotheek, op ‘het plein’, met gemeenschappelijk materiaal verzaagd en in elkaar gezet, enkele dagen voor NEST opende.

 

Wanneer NEST in december de deuren zal sluiten komen de makers van de stoelen ze ophalen in het café. Tijdens de voorbije maanden hebben ze goed gediend. Maar wie streek er nu de winst van op? Dat blijft onduidelijk. Misschien Bar Wilson, dat niet moest investeren in dure caféstoelen? Misschien de makers, die binnenkort een designstuk in huis hebben? Misschien de bezoekers van het café, de designfreaks, de groene jongens die het ontwerp geweldig vonden? Misschien is die meerwaarde complex en eenvoudig tegelijk. Een goede stoel, soms heb je niet meer nodig.


Vandaag 4 maart besliste ik dat een blog de moeite is. Vandaag is een mijlpaal in de tocht die we afleggen. Wij, dat zijn om en bij 30 organisaties en initiatieven die begin februari 2017 beslisten een gok te wagen.

In mijn gedachten dwaal ik terug in de tijd, 28 dagen geleden startte een tocht naar een bestemming die zich steeds verlegd. Bij iedere stap verschuift de einder achter de horizon. Niet omdat we achteruit gaan, maar omdat onze ambitie samen met ons vertrouwen steeds toeneemt.

Een week voor de ‘speeddate’ die de stad organiseerde voor kandidaat gebruiker en beheerders beslisten we een klaverblad oefening te doen. Slecht 4 dagen vooraf openden we een doodle. Die kwam niet echt uit de startblokken, tot de link zich ging verspreiden op facebook. Op de gesloten groep die de stad organiseerde, maar ook viraal. Tegen donderdag avond moesten we de poll bij dringendheid afsluiten omdat zich ondertussen al bijna 50 deelnemers hadden aangediend. Om iedereen de vrijheid te geven het uur te kiezen werd iedere 2 uur opnieuw gestart. Om 9u, 11u, 13u en 15u ging een nieuwe groep aan de slag en gaf de vorige groep verslag van de oefening. Iedereen kreeg bij aankomst een folder met de intentie van de dag en van de kandidatuur. Dat we op zoek zijn naar de ‘common ground’ en niet naar economische of strategische oplossingen en onderhandelingen. Praktische zaken werden geweerd. Vooral intenties werden kenbaar gemaakt. Na een klaverblad oefening kreeg iedere kandidaat of groep een ‘openbare bekendmakeing’.  Ze vulden hierop de naam van hun typologie, een korte omschrijving, de activiteiten en de modaliteiten. Iedere groep werd begeleid in deze oefening en werd gestimuleerd om weg te denken van de eigen branding, maar net op zoek te gaan naar gemeenschappelijke grond. De typoligieën waren geboren. De Tuin, De Keuken, Het Werkhuis, De Tafel, De Stock, Het Kantoor, De Reflectiekamer, De Expo, De Box, De Zetel, De Stiltekamer, De geluidskamer, De Beeldkamer, Het Loket, Het Plein, Het Podium. 18 in totaal.

Niet eenvoudig om uit te leggen. Wat betekent dat, een Typologie. Het is een ruimte met specifieke eigenschappen. Ergens anoniem, tegelijkertijd heel herkenbaar. Iedere typologie heeft een eigen toegankelijkheid en gebruikersmodaliteiten.

Op 13 februari organiseert de stad een speeddate. 150 initiatieven verzamelen zich in De Centrale. Algauw blijkt de zaal veel te klein voor al dat ondernemend geweld. 5 kandidaatbeheerders krijgen de kans zichzelf voor te stellen. Drie uur vooraf beslisten Timelab, Democrazy, Kerk en Totum de rangen te sluiten. Wat 3 dagen ervoor nog 9 kandidaat beheerders waren op de bijeenkomst van beheerders in De Stek, waren er nu nog 5 samen met Luc en Vinie die beslisten niet verder als beheerder op te treden. Zij kozen ervoor hun expertise aan te bieden aan wie van de beheerders hen in de armen sluit.

Na de publieke presentaties van de kandidaat beheerders was het rijen aanschuiven aan de stand van Stadslabo.org, ook de naam was net enkele uren vooraf beslist. De bezoekers konden zich aanmelden bij iedere typologie als trekker of gebruiker. Een rood bolletje of een geel bolletje. 105 initiatieven doen deze oefening.

De dag nadien kon het tellen beginnen. Alle kandidaten kregen een folder mee naar huis met uitleg over het proces alsook een planning voor de komende brainstormsessies. 17 en 24 februari, 3, 4 en 11 maart.

Algauw werd duidelijk dat we er met de bestaande ploeg niet zouden geraken om alles rond te krijgen. We namen iemand extra in dienst voor ondersteuning. Petra startte de moeilijke opdracht om helder te krijgen wat precies wel en niet mag. Stedenbouwkundig, vergunningen, brandweer, overeenkomsten met de stad, etc etc. Sophie hielp met grafisch en praktisch werk en ik kon me focussen op de begeleiding en de nodige tools hiervoor. Pieter ondersteunde in de logistiek. Raimi kwam in de Timelab ploeg om de procesbegeleiding mee te ondersteunen. Hij zal later een spilfiguur worden in NEST.

17 februari komen de groepen voor het eerst na de speeddate samen per typologie. Enkel de trekkers (rode bolletjes) worden uitgenodigd. De oorspronkelijke groep van 3 februari is niet meer herkenbaar. Toch vinden de nieuwe initiatieven al snel aansluiting bij de bestaande typologieën. Dit zijn mensen die een duidelijk engagement aangaan. Iedereen krijgt een lijst met de namen van de trekkers en gebruikers van hun typologie. Zo kunnen ze zelf contact opnemen met wie er niet is. Een hele dag gaan ze aan de slag. Om 14u is er een gemeenschappelijk presentatiemoment. We hebben de 7 verdiepingen in planafdruk aan de muur gehangen. De typologieën gaan aan de slag met post-its. Iedere presentatie sluit af met een voorkeurslocatie in het gebouw.

Een eerste confrontatie doet zich voor. Het Werkhuis wil de jeugdbibliotheek, de Zetel heeft eveneens het oog daarop laten vallen. Makers vs laagdrempelige doelgroepwerking. De zetel wint het pleit. Het Werkhuis trekt zich terug op een verdiep.

We merken dat trage stappen belangrijk zijn en tegelijkertijd is concrete intekening voor iedereen een stap vooruit naar concretisering. In de debatten wordt ook steeds duidelijker waar de gemeenschappelijke waarden zitten. De Reflectiekamer met Vinie, Luc en Natalie vormt ondertussen een solide basis voor de visie. Ze beroepen zich op theoretische modellen uit de psychologie en groepsdynamica. Een veilige basis, een gemeenschappelijk doel, vertrouwen, engagement. We hebben ongelooflijk veel geluk met de talenten aan de tafel. Een lucky shot?

We concluderen dat de begeleiding heel zwaar is met 1 persoon en veel vragen. Hier moeten we een systeem voor ontwerpen. We hebben het moeilijk met de voorstelling van de ruimte en beslissen te vragen om deze sessies in de bob zelf te mogen houden.

24 februari vatten we post in het leescafé van de bib. Een nieuwe dynamiek. Het wordt concreet en dat stimueert veel kandidaten. We kunnen dromen. Een machtige plek, zoveel mogelijkheden en vooral.. Heel groot. Een opdracht. Geen 2 zinnen omschrijving van jouw typologie, noteer de trekkers en omschrijf 3 activiteiten die er plaatsvinden.

We hebben een oplossing bedacht voor de begeleiding. Iedere typologie krijgt een vlag met de naam op en een wasspeld. Deze kunnen ze op de vlag pnnen wanneer ze een vraag hebben. Groepen kunnen rondlopen, verder werken. Om 14u houden we een gemeenschappelijke sessie. Opnieuw houden we de grondplannen tegen het licht. Er wordt gediscussieerd, gedebateerd. Doorheen het debat worden opnieuw waarden en woorden fijn gesteld.

De expo komt in de verdrukking te staan. De trekkers vinden de benadering van de expo als enige plek voor de kunsten te eng. Kunst hoort zich te verhouden tot het gehele gebouw. Ze willen een opsplitsing tussen amateur en professioneel circuit.

Voor het eerst merk ik hoe sterk de basisingesteldheid van gedeelde ruimte, zoals ingesteld bij de start, nog steeds doorweegt. Iedere typologie gaat op zoek naar de meest open formule. Dat er nog geen prijssetting is en dat deze afhankelijk is van de openheid en het engagement van de typologie gaat niet onopgemerkt voorbij.

Een andere bedenking is de rol van kunst. Ik had die niet in vraag gesteld. Ik zag die inderdaad op het niveau van het beheer en niet in een expo alleen. Ik veronderstelde dat  men dezelfde waarde aan kunst toedichtte. De reflectiekamer beaamt mijn veronderstelling meteen, niemand spreekt dit tegen. Kunst heeft een plaats in het geheel. Daar moet niet voor gevochten worden..

Opvallend is dat men eigenlijk niet vraagt naar een prijs en dat vooral wij vanuit het beheer aandringen op dit snel te kunnen bepalen.

3 maart, vrijdag, we verzamelen opnieuw in de bib. Een uitgebreide mail ging vooraf aan deze bijeenkomst. Iedereen kreeg een overzicht van de stand van zaken. De typologieën zouden teruggebracht worden naar 10, tenzij er bezwaar wordt aangetekend. Deze mail ging uit naar de 140 geïnteresseerden uit het bestand. Een veel ruimere groep van trekkers en gebruikers. 3 bezwaren. Om expo terug in het leven te roepen alsook loket en geluidskamer.

We starten de dag met een presentatie van 3 projecten uit andere steden. R-urban, Kathreptis en Schieblock. Deze voorbeelden tonen enkele ambities die we koesteren. Een structuur met verschillende ‘schillen’, een charter en protocol zoals Rurban, een sterk imago en internationale verankering zoals Kathreptis en een levensvatbaarheid na einddatum zoals Schieblock.

Vervolgens lichten we opnieuw de financiële structuur en het organisatiemodel toe en zetten we de ambitie voor het weekend. Iedere typologie krijgt een schalingsbriefje om de typologieën te rangschikken van open en engaged tot gesloten en minder engaged in het geheel.

Op het einde van de dag lijken opnieuw grote stappen gezet. We merken dat iedereen meer dan verwacht met de prijssetting bezig is. Dat er eigenlijk bijna geen enkele typologie is die aangeeft geen financiële bijdrage te willen leveren. Het engagement is heel groot. De groep krijgt vorm. We houden de presentaties doorheen het gebouw. Iedere presentie sluit af met een filmopname van een trekker van de typologie. 1 minute promofilm.

Zaterdag 4 maart, vandaag. De dag dat ik beslis dat het meer dan de moeite waard was om een dagboek bij te houden. Vandaag werden de prijzen bepaald per typologie. De briefjes met de schaling gingen de mist in. Deze werden vervangen door een online enquete en in combinatie met de vraag aan iedere typologie om bekend te maken wat men denkt te kunnen bijdragen komen we tot een sluitende begroting met nog een overschot dat we zouden kunnen gebruiken voor een doel dat we samen bepalen. Permanentie, wc-papier, onderhoud, inrichting.

We hebben iets vast! Good enough for now, safe enough to try

Nadien volgen de dagen waarop het dossier vormt krijgt, waarop we de cooperatieve vennootschap Timelab lenen voor de operatie en iedereen aandeelhouder wordt.

Op een zaterdagochtend brainstorm ik met Vinie, Luc en Natalie van de reflectiekamer brainstormen over de naam. NEST, zoals het vogelnest van Charles Leadbeater waarin hij het bouwen van een NEST als metafoor gebruikt voor de logica van de contributie. Iedereen heeft een eigen takje, of meer, verschillende vormen, lang of kort, samen leggen we een nest dat van ons is, zonder te weten wie welke bijdrage precies deed, dat doet er niet toe.

Tot slot worden net voor de indiening nog andere partners gezocht. Totem, Kerk, Democrazy en Nucleo, zij hebben meer ervaring met tijdelijke invullingen en kunnen de operationele werking bijstaan. Totem en Kerk zijn onmiddellijk mee. Nucleo en Democrazy hebben terecht wat bedenktijd nodig. Zij werken op zoveel fronten tegelijkertijd. Kunnen ze dit er wel bij nemen? Gelukkig zeggen ze toe en gaan we van start met een serieus partnership van 5 partijen die ondersteuning kunnen bieden aan het beheersmodel en de operationele werking van wat later het meest waanzinnige tijdelijke invullingsproject van Gent zal worden.