Op een vroege zomerdag, rond de middag, staan de terrasdeuren in het leescafé van de oude stadsbibliotheek op het Gentse Zuid open. Het geroezemoes van de gasten buiten vermengt zich met het rustige ritme van de muziek in het nieuwe café, Bar Wilson. Op de drankkaart: lokaal bier, biolimonade en heerlijke koffie.

Meer dan zeventig initiatieven bundelden zich om een nieuwe, tijdelijke invulling te bedenken voor de voormalige stadsbib. Daarmee gaan ze niet alleen leegstand tegen, maar joegen ze ook ook een wind van vernieuwing en jeugdig enthousiasme over het grote plein van het Gentse Zuid.

Rond een tafel in de bar op de eerste verdieping van de oude stadsbib, op opmerkelijke houten stoelen, tref ik Evi Swinnen en Michel Bauwens. We spreken elkaar over burgers die samen het heft in handen nemen. We bevinden ons in het commonsproject NEST, de naam van tijdelijke invulling van de oude stadsbib. NEST is een voorbeeld van hoe burgers open ruimtes in steden meer en meer zelf een zinvolle invulling geven.

Evi Swinnen is de motor achter Timelab, een open kunstenwerkplaats in Gent waar creatievelingen, activisten en technologiefans samenwerken aan projecten met een meerwaarde voor de samenleving. Swinnen bouwde ervaring op in het begeleiden van samenwerkingsprocessen. Vanuit die achtergrond voorzag ze ondersteuning die de organisaties van NEST hielp om zich ‘horizontaal’ te organiseren en samen beslissingen te nemen.

Michel Bauwens is visionair denker en transitiecoach. Hij is oprichter van de P2P Foundation, die onderzoek doet naar horizontale peer to peer-netwerken en -praktijken. Hij staat bekend als internationale pionier in het domein en voert een netwerk aan van onderzoekers rond commons en peer-to-peer. Bauwens schrijft, geeft workshops en lezingen, en werkt vooral in het buitenland. In 2013 verscheen zijn boek ‘de wereld redden’. Van maart tot mei dit jaar onderzocht Bauwens in opdracht van de Stad Gent de commonsprojecten in Gent en hoe de stad die burgerinitiatieven kon versterken. De resultaten kwamen terecht in een Commons Transitie Plan, dat in juni verscheen.

We hebben het over hoe burgers zélf verantwoordelijkheid opnemen voor plekken in de stad. En waarom het goed is dat burgers er hun eigen ding van maken.

We zitten hier in NEST, een echt commonsproject. Tientallen mensen en organisaties beslisten samen over de nieuwe invulling van de oude stadsbib. Om goed te begrijpen wat er zich hier de laatste weken en maanden heeft afgespeeld, is het belangrijk om te begrijpen wat ‘commons’ nu eigenlijk zijn. Wat houdt dat precies in, commons?

M.B.: “Commons – letterlijk ‘gemeenschappelijke dingen’ – zijn hulpbronnen (resources) waar alle leden van een groep gebruik van mogen maken. Typisch is dat niemand eigenaar is, en daarom heeft ook niemand het alleenrecht om iets aan de commons te veranderen. Beslissingen worden gedragen door alle leden die aan de commons bijdragen. In grote lijnen bestaan er vier types ‘commons’, met als factor van onderscheid of ze tastbaar of immaterieel zijn, en of ze overgeërfd of nieuw gemaakt zijn.”

“Een eerste type commons zijn de natuurlijke hulpbronnen, zoals lucht of rivieren. Die zijn toegankelijk – of zouden dat moeten zijn – voor alle leden van de samenleving. Dit type commons is ‘overgeërfd’. Een tweede type commons zijn overgeërfde immateriële commons, zoals taal of cultuur. Niemand is eigenaar van een taal, of kan bijvoorbeeld op eigen houtje beslissen om de grammaticaregels te veranderen.”

“Een derde type commons is ‘nieuwe’ kennis die samen gemaakt en gedeeld wordt via open source. Wikipedia is daar het meest bekende voorbeeld van, of Linux-software. Tenslotte heb je de materiële commons die door één of meer mensen werden gemaakt en/of gebruikt. Denk aan cohousing, open werkplaatsen, gedeelde machines.”

E.S.: “Materiële commons staan centraal bij stedelijke commonsprojecten, zoals NEST. Die zijn van nature lokaal verankerd – anders dan bij gedeelde kennis, zoals Wikipedia, waarvan de auteurs zich overal ter wereld kunnen bevinden. Materiële commons worden gedragen door een gemeenschap, de bijdragers kennen elkaar. Het groepsgebeuren is er erg belangrijk. Groepen die samen commons beheren, doen dat doorgaans door een set van regels af te spreken waar iedereen die gebruik wil maken van de commons mee akkoord gaat. Dat kan gaan over de verdeling van de uren permanentie in een plek als NEST, of over de verdeling van de opbrengst van een stadslandbouwproject. Hoewel commons binnen de wet opereren, zijn ze relatief onafhankelijk van de overheid en de markt.”

Michel, in 2013 schreef je een boek met de ambitieuze titel ‘de wereld redden’. Daarin hield je een pleidooi voor mensen om als gelijken samen waarde te creëren, zonder daarvoor toestemming te moeten vragen bij een overheid. Je ziet de commons als een oplossing voor de grote problemen die onze tijd stelt, bijvoorbeeld klimaatopwarming of grondstoffenschaarste. Zijn commons echt zo krachtig?

M.B.: “Eén van de troeven van commons is dat ze ingaan tegen een problematische manier van omgaan met de wereld. De manier waarop de meeste mensen vandaag leven en produceren, noem ik ‘extractief’ – we halen grondstoffen, voedsel en zoveel meer uit de grond. Dat heeft als gevolg dat we de aarde armer achterlaten dan hoe we hem vonden. Maar de problemen die de verarming van onze leefomgeving met zich meebrengen, worden ondertussen niet in rekening gebracht. Dan bedoel ik bijvoorbeeld de milieueffecten van het vervuilende overzeese transport van made in China-producten. Op dit moment is er niemand die verantwoordelijkheid opneemt voor die vervuiling, terwijl de rekening zich al presenteert, via klimaatproblemen. Die extractieve manier van werken zorgt ervoor dat we onszelf – en de toekomstige generaties – grondig in de nesten werken.”

“Door met commons te werken, breek je met die denkwijze. Mensen die samen verantwoordelijk zijn voor een gedeelde eigendom, kiezen vaak voor de oplossing die op de lange termijn positief uitdraait. Wanneer groepen mensen een een boerderij opstarten, is winst niet het belangrijkste, maar wel de educatieve waarde of het plezier van samen in de aarde te wroeten, of de band met de natuur. Groepen mensen die samen een product ontwerpen hebben ook geen voordeel aan ingebouwde veroudering of verplichte updates, zoals dat gebeurt bij bijvoorbeeld onze smartphones. Binnen commons gedragen mensen zich socialer en duurzamer.”

“Commons verschillen grondig van het huidige marktdenken,” stelt Bauwens. “Ik noem ze ‘generatief’, omdat ze de gemeenschap meer opleveren dan er wordt uitgehaald. Typisch investeren groepen via commons ook in de sociale of culturele ontplooiing van de groepsleden. Mensen leren elkaar technieken, muziek of kennis aan, en commons leiden erg vaak tot nieuwe samenwerkingen. Het zijn plekken van kruisbestuivingen.”

“Maar ook economisch leveren commons de groep vaak iets op. Winst van commons verdwijnt doorgaans niet gemakkelijk via multinationals naar het buitenland. In de voedingssector is de overgang naar lokaal produceren al duidelijk ingezet – denk maar aan paddenstoelenkwekerijen op koffieafval of lokale boerenmarktjes die je in de steden ziet opduiken. Maar volgens mij is het potentieel van lokaal produceren niet beperkt tot de voedselketen,” zegt Bauwens. “Ik geloof dat we tot 80 procent van de producten die we nu van de andere kant van de wereld overvaren, opnieuw in de gemeenschap kan worden geproduceerd.”

Commons werken dus generatief, terwijl het huidige economische systeem extractief noemt. Ligt het probleem dan bij het kapitalisme?

“Het kapitalisme is gewoon een systeem met erg veel nadelen,” verklaart Bauwens. “Maar wat je fanatiek bestrijdt, versterk je ook. Daarom kiezen we er strategisch voor om in te zetten op de alternatieven, de commons dus. Bij het kapitalisme is economische winst belangrijker dan sociale, culturele of ecologische winst. Dat lijkt me op termijn niet houdbaar. Ik ben ervan overtuigd dat, als het kapitalisme vandaag wil overleven, het én groener moet worden, én commons nodig heeft. Maar beide systemen gaan zeker een tijd samen moeten functioneren, en dat kan volgens mij ook prima. Het commonsmodel zal op de lange termijn wel voordeliger blijken.” (lacht)

Michel Bauwens werkte de voorbije maanden in opdracht van Stad Gent aan een rapport over de mogelijkheden van Gent als Commonsstad van de toekomst. De steun van de lokale overheid hebben jullie. In een gemeenschap gericht is op commons, zien jullie de rol van de overheden evenwel radicaal anders dan vandaag. Jullie pleiten voor de transformatie van de huidige sturende rol naar een ondersteunende rol. Hoe zien jullie dat precies?

“Het grootste deel van de mensen die vandaag op aarde rondlopen, woont in steden,” zegt Swinnen. “Die steden worden geconfronteerd met problemen als bevolkingsdruk of verloedering. In heel wat steden zie je als antwoord daarop vormen van stedelijke commons opduiken. Mensen organiseren zich om hun stad duurzamer en inclusiever te maken – zoals hier bijvoorbeeld gebeurt met de energiecoöperatie EnerGent.”

“Maar niet alleen in Gent komen de burgers met oplossingen,” licht Swinnen toe, “ook in Barcelona waar burgerbeweging En Comú – die momenteel de burgemeester levert – de stad weer leefbaar wil maken door onder andere het massatoerisme in te perken. Of Frome, een Brits stadje, dat geldt als voorbeeld van een democratie waar de klassieke politieke partijen het beleid niet meer voeren, maar burgers zelf. En er is Bologna, een de stad die een concrete regelgeving uitwerkte rond hoe burgers en overheid samen gedeelde plekken in de stad kunnen beheren.”

“We geloven in een ‘partnerstaat’, een overheid die groepen geëngageerde burgers ondersteunt,” vult Bauwens aan. “Die burgers krijgen dan een grote mate van autonomie en dragen verantwoordelijkheid voor hun projecten. Dat betekent dat de politiek die we nu kennen op bepaalde vlakken ook overbodig wordt. Wanneer een plein wordt heraangelegd, kan de overheid de plannen voor het ontwerp en de invulling ervan voor een groot deel uit handen geven aan de buurtbewoners. Politiek moet zich op sommige vlakken ook overbodig wíllen maken. In Gent zien dat al hier en daar gebeuren. Dat vind ik fantastisch.”

‘Ruimte’ geven aan commons lijkt wel cruciaal?

Bauwens: “Absoluut, da’s een eerste stap in de goede richting. Er zijn drie grote manieren waarop een stad commons kan ondersteunen. Om te beginnen door infrastructuur aan te bieden, zoals braakliggende gronden of leegstaande panden. Een andere, grote steun is startende commonsprojecten te versterken, via bijvoorbeeld een incubator – daar bestaan al goede voorbeelden van, zoals de Sociale Innovatiefabriek, een organisatie gevestigd in Brussel die projecten in de sociale economie ondersteunt. Een incubator zorgt ervoor dat startende projecten makkelijker inzicht krijgen in de mogelijke organisatiestructuren en strategieën – daardoor moeten ze niet allemaal, wat ontzettend vermoeiend is.”

“Tenslotte kan de stad een overkoepelende organisatie ondersteunen die specifiek als bemiddelaar kan optreden tussen de commons en de stedelijke overheid. In ons Commons Transitie Plan noemden we die organisatie ‘Stadslabo’,” licht Bauwens toe. “Die kan commonsgroepen juridisch ondersteunen, of op vlak van infrastructuur. Het is een koepelorganisatie die experimenten begeleidt én erover reflecteert. En door over de grenzen te kijken houdt de organisatie de vinger aan de pols van de internationale commonsbeweging, waardoor ze kan bijleren van buitenlandse ervaring. Met zo’n ondersteunings- en reflectieorganisatie kunnen commonspraktijken in de stad zich zo blijven heruitvinden en blijven gedijen in een wereld die continu in verandering is.”

“Doorheen het onderzoek de afgelopen maanden merkte ik op dat de Stad de voorbije jaren al heel wat samenwerkingen met commonsgroepen heeft opgezet,” vertelt Bauwens. “Een voorbeeld is het project ‘lunch met LEF’, dat betaalbare lokale, ecologische en faire warme maaltijden in scholen organiseert. In ons rapport stellen we manieren voor om de samenwerking tussen commonsgroepen en de Stad optimaal te laten verlopen – we noemen ze publiek-sociale akkoorden of commonsakkoorden. Zo’n akkoord, zoals het in Bologna al bestaat, regelt de wederzijdse samenwerking rond bepaalde projecten. Wat er gebeurt in Barcelona, Frome en Bologna toont aan dat verschillende stadsbesturen op diverse manieren mee op de kar van de commons kunnen springen. Misschien ontbreekt net dat vandaag nog wel in Gent, die open, internationale blik.”

Een gedeelde invulling van een publieke ruimte, op zo’n grote schaal, dat hebben weinigen jullie voorgedaan. Misschien geldt NEST, het project in de oude stadsbib, zo’n beetje als de grote vuurproef voor het commonsdenken in de praktijk.

“Dat kan je zo wel stellen,” zegt Swinnen. “We zijn NEST nu al enkele maanden aan het uitbouwen met een groep organisaties van de meest diverse insteken en overtuigingen. Sommige dingen verliepen goed, op andere vlakken hebben we fouten gemaakt waaruit we belangrijke lessen moesten trekken, Maar we zijn behoorlijk trots op wat we samen bereikt hebben.”

“Wat de volgende maanden brengen blijft onzeker, zegt Swinnen, “alle beslissingen worden immers in groep genomen, zonder leidende figuur of uitgetekend businessplan. Maar de kruisbestuivingen die nu al ontstonden tussen de NESTbewoners en de kleine successen maken het alvast een ongelooflijk interessant en geslaagd experiment.”

“De kennis en de ervaringen van de voorbije maanden gaan we de volgende weken en maanden delen met de wereld. Er verschijnt een tweetalig boek in het Nederlands en Engels, dat vol staat met organisatietools en getuigenissen, en we organiseren een groots commonsfestival in NEST,” vertelt Swinnen. “We delen nu al heel wat kennis via allerlei online kanalen. Facebook, onze wikipagina bij de stad Gent en de P2P-wiki’s spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast werken we met P2P Foundation aan een leerplatform.”

“Door onze kennis te delen, hopen we dat alle burgers die er zin in hebben, op de meest diverse locaties er hun ding mee kunnen doen,” licht Swinnen toe. “NEST is een symbolische naam. In het nest zit een ei, later dit jaar zal er een jong uitvliegen. We hopen een eitje uit te broeden van het commonsdenken, door te laten zien wat je als georganiseerde burgers samen kan bereiken. Door onze praktijkvoorbeelden en ervaringen te verspreiden, hopen we dat burgers uit andere steden met onze experimenten en op basis van onze ervaringen zelf aan de slag gaan. In de overtuiging dat dat leidt tot een ongeziene stroomversnelling binnen de internationale commonsbeweging.” (lacht)

 

***

 

Het gesprek is afgelopen, de muziek speelt rustig door. We schuiven onze opmerkelijke houten stoelen naar achteren en verlaten we het café. Michel Bauwens haast zich naar een volgend interview, de volgende dag reist hij door naar het andere halfrond van de planeet.

 

De stoelen zijn Italiaans ontwerp, van Gentse makelij. Ze werden getimmerd volgens de handleiding van Enzo Mari’s Sedia Uno, een ontwerp uit 1974 waarbij je zonder snijverlies een stoel efficiënt uit een houten plank zaagt. IKEA, maar dan in open sourceversie. De stoelen werden in de bibliotheek, op ‘het plein’, met gemeenschappelijk materiaal verzaagd en in elkaar gezet, enkele dagen voor NEST opende.

 

Wanneer NEST in december de deuren zal sluiten komen de makers van de stoelen ze ophalen in het café. Tijdens de voorbije maanden hebben ze goed gediend. Maar wie streek er nu de winst van op? Dat blijft onduidelijk. Misschien Bar Wilson, dat niet moest investeren in dure caféstoelen? Misschien de makers, die binnenkort een designstuk in huis hebben? Misschien de bezoekers van het café, de designfreaks, de groene jongens die het ontwerp geweldig vonden? Misschien is die meerwaarde complex en eenvoudig tegelijk. Een goede stoel, soms heb je niet meer nodig.